24-05-17

Pleidooi voor de Benelux

PLEIDOOI VOOR DE BENELUX

 

 

20 teksten over de voordelen van een sterke Benelux in Europa

 

 

 

1 Marie-Anne Wilssens, Tindemans: fouten van verleden bij uitbreiding EG vermijden, DS, 25 juni 92

 

“Wat denkt u van het gemeenschappelijke Beneluxmemorandum over de bescherming van de rol van de kleine landen, dat op de Europese top ingediend zal worden?

- “Een goed stuk.”

“De Benelux is belangrijk en ik zei al eerder dat de taal die de voorzitter van de Waalse regering, Guy Spitaels, daarover spreekt, zeer gevaarlijk is.  Want laten we aannemen dat we ind e toekomstige, uitgebreide Gemeenschap toch niet meer van elke lidstaat een vertegenwoordiger in elke instelling kunnen hebben.  Waar zou België anders terecht kunnen dan in een Benelux-formule?”

“Iin de bank van Oost-Europa zijn er (sic) zes bestuurders voor twaalf lidstaten.  Dat is misschien al een vingerwijzing voor de manier waarop misschien gewerkt zal moeten worden.”

 

 

2 A. Belmans, Open brief aan Prof. Dr. Matthias Storme, in : Delta, 1, 2000, p.10-11

 

Geachte Professor,

 

Wij hebben met aandacht uw artikel " Neen aan het separatisme?", in het november-nummer van " Het Verbond' gelezen.

 

Daaruit hebben we in elk geval geleerd dat u de Belgische afscheidingsbeweging van 1830 verafschuwt. Net als wij. Wat Belgen door de band niet weten is dat de jacobijnse vergissingen van Willem I onder de regering van Thorbecke in 1848 werden rechtgezet. Hij vormde de Noordelijke Nederlanden in elk geval om tot een gedecentraliseerde staat op basis van zeer gediversifieerde provinciën. Deze decentralisatie ging in elk geval een stuk verder dan wat in de Belgische grondwet van 1831 werd toegestaan.

 

Meer nog dan in Vlaanderen is men in de Kempen, waar ik vele jaren gewoond en gewerkt heb, getroffen door de vaststelling dat er benoorden de staatsgrens ook nog mensen wonen die zich Brabanders en Kempenaars noemen. Het is niet eens zo veel jaren geleden dat wij samen naar de " Groot-Kempische Cultuurdagen" in Noord-Brabant togen. En de Stichting " Brabantia Nostra", die Tilburg als thuishaven had, stond ons steeds getrouw bij toen wij in het kader van de" Stichting voor de Kempen", waarover in het voorjaar trouwens een boek zal verschijnen, grensoverschrijdende doelstellingen nastreefden. Dit in het kader van de toen zo gewenste ontsluiting van het Kempisch Middengebied.

 

In de ogen van de Fransen echter is de scheuring van 1830 slechts een eerste revanche voor de nederlaag van 1815 in Waterloo. Wegens het verzet van Engeland en de andere continentale mogendheden van Europa kon Frankrijk toen zijn slag niet thuishalen en België dus niet recupereren. Maar... het gaf de moed niet op en verdere pogingen zouden volgen.

 

In de jaren 1836-1842 werd er vanuit Frankrijk sterk aangedrongen op een tolunie met België.

 

(p.11) Tijdens de revolutie in Frankrijk van 1848 poogde een legertje Franse republikeinen, ongeveer 1.500 man sterk, België binnen te vallen in de hoop een algemene opstand te kunnen uitlokken. Het opzet mislukte, zij werden op 29 maart van dat jaar verslagen te Risquons-Tout.

 

In 1863 werden er door Napoleon llI en de regeringen van Pruisen en Oostenrijk onderhandelingen gevoerd. De Centraal-Europese mogendheden zouden gebiedsuitbreidingen bekomen, op voorwaarde echter dat F rankrijk van hen de toelating kreeg om België aan te hechten. Het liep andermaal op een sisser uit.

 

In 1867, na de Pruisische zege op Oostenrijk te Sadowa en de aanhechting door Pruisen van de vorstendommen Hannover en Hessen, trachtte diezelfde Napoleon compensatie te bekomen ten nadele van het Groothertogdom Luxemburg en van België (hij eiste daarbij delen van Henegouwen en Namen op). Maar andermaal stuitte hij op de onwil van de grote mogendheden.

 

ln 1870 zag Bismarck in deze aanhoudende pogingen een gegrond voorwendsel om Frankrijk binnen te vallen en het nabij Sedan een zware nederlaag toe te dienen. .

 

En de geschiedenis is daarmee nog niet ten einde...

 

Sedert de recente Duitse Wiedervereinigung poogt Frankrijk opnieuw België op alle gebieden in zijn vaarwater te krijgen. " Le "" Nouvel Économiste" van maart 1990 schreef vlakaf.

 

" Pourquoi ne pas répondre à l'O.P.A. de la R.F.A. (République fédérale allemande) sur la R.D.A. (République démocratique allemande) par l'arrimage de l'économie belge à la nôtre ? (...) L'outre-Quiévrain vaut bien la R.D.A."

 

Moeten wij, "" Vlamingen", dan vrijwillig onze medewerking verlenen aan deze Franse drijverijen? Drijverijen om de Lage Landen te satelliseren?  Of, moeten wij niet alles in het werk stellen om een nieuwe en nauwe  samenwerking van onze drie kleine landen te bevorderen? Op diplomatiek vlak, maar dat is natuurlijk minder zichtbaar, is de BeNeLux nog steeds actief.

 

Wij stellen ons dan ook terecht de vraag waarom uw Vlaams-nationalisme zich steeds maar opnieuw laat verleiden om het imperialisme van onze grote buren terwille te zijn?

 

Voorwaar, God heeft een grens gesteld aan het menselijk verstand. Jammer genoeg niet aan hun domheid.

 

 

3 Maurits Duyck, Benelux (deel II), in : DELTA, 10, dec. 1999, p.8-14

 

(p.8) In een uitgave van het Secretariaat-Generaal van de Benelux gedagtekend 1.9.1985 wordt verteld dat de naam door een Belgische econoom, F.M. Aspeslagh, uitgevonden werd. Zelf schreef hij hierover het volgende:

 

"Ik ben inderdaad de uitvinder van de naam "Benelux" en ik zal U vertellen hoe ik er toe kwam deze naam voor het eerst te gebruiken. Kort na de oorlog was ik Belgische correspondent voor het Engelse blad "The Economist". De redactie en de lezers van dit blad hadden grote belangstelling voor de akkoorden van Londen die zouden leiden tot de douane-unie tussen Nederland, België en Luxemburg en voor de plannen tot oprichting van een economische unie tussen deze drie landen.

 

De stijl van "The Economist" stelde echter bepaalde eisen.. men moest zoveel mogelijk

zeggen met zo weinig mogelijk woorden.  Dat was moeilijk omdat ik steeds moest spreken van de "Customs Union between Belgium, the Netherlands and Luxemburg" of soms, als de omstandigheden het toelieten, van de "Customs Union" zonder meer.

 

Tenslotte had ik genoeg van deze redactionele gymnastiek en ik besloot een nieuw woord uit te vinden dat echter aan een aantal criteria moest voldoen. Het moest origineel zijn, in verschillende talen gebruikt kunnen worden en een soort gedachtenassociatie oproepen tussen deze nieuwe instelling en de daarvoor gekozen naam. Als eerste mogelijkheid schoot mij "NEBELUX" te binnen doch na enig aarzelen veranderde ik dit in "BENELUX" omdat dat beter klon k. Maar toch was ik niet tevreden, de naam leek mij meer geschikt als merk voor

een stofzuiger dan voor een geografisch  begrip. (p.9) Toch waagde ik het er op en gebruikte de naam voor het eerst in "The  Economist" van 6 augustus 1947. Sedertdien is de term geleidelijk ingeburgerd. "

 

 Geschiedenis

 

 De geschiedenis van Benelux begint in Londen in oktober 1943. Daar, in het Savoy-hotel, legden de Nederlander van Kleffens, de Belgen Spaak en Gutt en de Luxemburger Bech, de grondslagen van de Belgische Luxemburgse Nederlandse Douane-unie.

 

 Het gebeurde in dat Victoriaanse hotel waar de salons namen van operetten droegen. In 1881 ging te Londen de première door van de operette "Patience" van Sullivan. Het salon waar onze politici bijeenkwamen heette "Patience" en dit zou ook het motto kunnen zijn voor de ontwik keling van de gesprekken die er gevoerd werden.

 

In de overeenkomst van 21 oktober 1943 wordt de wisselkoerspolitiek een zaak van algemeen belang behandeld, terwijl ook spelregels voorzien worden voor de bevordering van het betalingsverkeer. Twee onmisbare elementen om tot een economische integratie te komen.

 

Op 5.9.44 kondigde Radio Londen aan dat België, Luxemburg en Nederland een douane-overeenkomst hadden gesloten. De bedoeling was deze onmiddellijk in werking te stellen van zohaast de drie regeringen in hun land zouden zijn teruggekeerd. Door de oorlogsomstandigheden gebeurde dit niet gelijktijdig en terwijl het economisch herstel in België en Luxemburg vrij vlot en op gelijklopende wijze van de grond kwam, was de economische toestand in Nederland, waar de bezetting en oorlog over een groot deel van het

grondgebied tot mei 1945 duurde, precies daardoor veel zorgwekkender. Er gebeurde dan ook niets tot begin 1946. Toen besloten Schermerhorn, toenmalig minister-president en Spaak, minister van Buitenlandse Zaken, tijdens een ontmoeting in Den Haag, een einde te maken aan de aarzelingen van de voorbije maanden. Prof Schermerhorn wou zelfs de opbouw

van Europa zien vanuit een Lage-Landen-Kern en een begin maken met het oprichten van een deelfederatie - de Benelux - die uiteraard de federatieve vereniging van Europa zou bevorderen.

 

De douaneovereenkomst werd in de zomer 1947 door de drie parlementen goedgekeurd en op 1. 1 .1948 trad zij in werking. Van de éne dag op de andere werd het Benelux-handelsverkeer vrijgesteld van douanerechten en werd een gemeenschappelijk tarief van kracht (een com-

promis tussen het vooroorlogs tariefsysteem van Nederland en dat van de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie) voor het handelsverkeer met derde landen. De bedoeling was echter veel ruimer maar ook veel complexer, namelijk de oprichting van een economische unie.

 

Van 1948 tot 1958 werd grondig gewerkt om tot een economische samenwerking te komen. Het was een tasten en zoeken, een uitvinden, want dergelijke economische toenadering had toen nog geen enkel precedent waaruit enige lering kon gehaald worden, tenzij de Belgisch-

Luxemburgse Economische Unie (BLEU) die in 1921 ontstaan was.

 

 

Benelux, een tweetrapsraket of

 

De BLEU, voorloper van BENELUX

 

Door de definitieve splitsing van het hertogdom Luxemburg na 1839 werd het Groot-Hertogdom Luxemburg geboren en werd het in een personele unie met de Nederlandse kroon verbonden.

 

In februari 1867 onderhandelde Willem III met keizer Napoleon II over de verkoop van Luxemburg. Dit wekte ontstemming bij (p.10) Bismarck en leidde tot een internationale crisis. De Luxemburgse kwestie werd uiteindelijk in een conferentie te Londen geregeld, en op 11 mei 1867 werden Luxemburg en Limburg vrijgemaakt van de Duitse Bond. De neutraliteit van

Luxemburg wordt door de grote mogendheden en ook door Nederland gegarandeerd. De jonge Belgische Staat werd hier volkomen buiten gelaten.

 

Na de 1ste wereldoorlog, ging het Groot-Hertogdom Luxemburg op zoek naar een partner waarmee het een groter economisch geheel kon vormen.

 

In 1919 bleek bij referendum een grote meerderheid te vinden voor Frankrijk, maar dit land wees het aanbod beleefd af Daarop wendt Luxemburg zich tot België en zo ontstond in 1921 de BLEU, die voor 50 jaar werd afgesloten en daarna stilzwijgend werd verlengd telkens voor een periode van 10 jaar.

In 1921 was de wetgeving niet zo uitgebreid en ingewikkeld als thans, en werd er dus ook niet gedacht aan een algehele beleidsharmonisatie. Toch treft men in de toenmalige overeenkomst bepalingen aan die een aanzet vormen voor het latere Beneluxverdrag van 1958, zoals:

 

1. de opheffing van de douanebarrières tussen de aangesloten landen;

2. het hanteren van gelijke douanerechten en accijnzen t.a.v. derde landen;

3. vrij personenverkeer en vrije vestiging;

4. het gemeenschappelijk afsluiten van handelsakkoorden en andere economische akkoorden.

 

Naast of na die oorspronkelijke trekken  van een gemeenschappelijke markt, zijn er sindsdien andere regelingen bijgekomen die verruimend werkten, of de bedoeling hadden de Unie aan te passen aan steeds wijzigende internationale structuren.

 

 Speciale aandacht verdient beslist de monetaire verhouding tussen beide landen. Sedert 1921 houden beide landen een gemeenschappelijke monetaire reserve aan goud en deviezen, die wordt beheerd door de Nationale Bank van België en het Belgisch Luxemburgs Instituut voor de Wissel. Sedert 20.5.1983 beschikt Luxemburg over een eigen monetair instituut, dat o.a. tot taak heeft munten en bankbiljetten uit te geven en toezicht te houden op de omloop ervan. Naast Belgisch geld zijn in het Groothertogdom tevens bankbiljetten in omloop die worden uitgegeven door de Caisse d'Epargne de l'Etat en de Banque Internationale du Luxembourg. Dit geld is geen wettelijk betaalmiddel in België. Sedert 1944 hebben de Belgische en Luxemburgse frank dezelfde waarde. Het was dan ook begrijpelijk dat de BLEU dreigde uiteen te vallen toen de regering Martens in 1982 de BEF devalueerde zonder Luxemburg hierin te kennen. De oprichting in 1983 van het bovenvermelde Monetair Instituut in Luxemburg is hier ook niet vreemd aan.

 

De BLEU was dus het enige bruikbare voorbeeld in 1944 en later. Van Nederlandse zijde was het gegeven echter gans nieuw waar België-Luxemburg dan toch al 25 jaar ervaring achter de rug hadden.

 

En zo eenvoudig is een tolunie ook niet. Zij betekende de afschaffing van douanetarieven aan de binnengrenzen en de instelling van gemeenschappelijke douanetarieven. Er moest een afgestemde aanpak bedacht worden vanuit douanetechnisch oogpunt die zou leiden tot een volledig vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitalen voor eigen verbruik of in transit.

 

In de beginjaren zeventig werd gewerkt aan het wegnemen van administratieve handelsbelemmeringen, uit hoofde van gezondheid, veiligheid, kwaliteitsvereisten, enz. Vergelijk met Groot-Brittannië: je mag er niet naar toe met een hond of hij moet speciaal ingeënt worden. Zoniet wordt (p.11) quarantaine opgelegd.

 

Zo werd op 29 april 1969 een Protocol "Belemmeringen" ondertekend dat op 29 januari 1971 in werking trad: afschaffing van de bestaande belem meringen en verplaatsing van de controle naar het binnenland. In de tweede plaats werd in het kader van de Regeringsconferentie van 1969 overeengekomen dat de grensformaliteiten in verband met de B.T W. op 1 juli 1971 zouden worden afgeschaft. Deze formaliteiten werden verlegd naar het binnenland; bij het passeren van de grens werd volstaan met het opvragen van een kopie van de handelsfactuur. Ten derde werd in 1971 de Overeenkomst inzake de eenmaking van het Benelux-douanegebied van kracht. Daardoor werd op douane-technisch gebied dezelfde wetgeving in heel de Benelux ingevoerd.  Dus vanaf 1972 werd bij de overgang van de binnengrens geen controle van de ladingen meer verricht, enkel nog afgifte van documenten en een nazicht daarvan vonden plaats.

 

 

Terug naar de geschiedenis

 

Benelux startte dus zoals de BLEU met een douane-unie, maar de drie landen streefden er ook meteen naar het handelsverkeer stap voor stap te liberaliseren.

 

Precies aan het einde van het eerste decennium van het bestaan van Benelux, doet zich in Europa een nieuw feit voor waarbij Benelux de rol vervulde van voortrekker, en sterker nog, van promotor van de Europese integratie. Na te hebben meegewerkt aan de oprichting van de Europese Gemeenschap voor KoIen en Staal namen de Benelux-regeringen het initiatief tot de conferenties van Messina, Hertoginnendal en Rome, die in de jaren 1955-1957 hebben geleid tot de totstandkoming van het E.E.G. - en het Euratomverdrag.

 

In zijn "Mémoires" schreef Jean Monnet over de Conferentie te Messina in 1955:

"In Messina namen de Ministers als basis voor hun akkoord het memorandum van de Benelux en hadden zij enkel de tijd om dit hier en daar naar de vorm af te zwakken." Wij kunnen derhalve gerust stellen dat die Benelux-unie in wording, gedurende die 10 jaar het toenmalige Europa der zes de weg wees, zonder hem zelf al grondig verkend te hebben.

 

Is het misschien daarom, en om over een bepaalde bewegingsvrijheid te kunnen blijven beschikken, dat de grondleggers van Benelux, de wijze voorzorg namen om in het Verdrag van Rome van 25.3.1957 het artikel 233 te doen opnemen:

 

"De bepalingen van dit verdrag vormen geen beletsel voor het bestaan en de voltooiing van de regionale unies tussen België en Luxemburg, alsmede tussen België, Luxemburg en Nederland, voor zover de doelstellingen van die regionale unies niet bereikt zijn door de toepassing van dit verdrag".

 

De grootste zorg van onze vertegenwoordigers was toen dus wel de toekomst van het kleine Europa dat BENELUX was, veilig te stellen. Of dachten zij bij het overschouwen van de geschiedenis van de Nederlanden aan Vergilius: "Mijn territorium is klein, maar mijn roem is groot."? Of nog aan een uitspraak in 1963 van Eerste-Minister Théo Lefèvre: "In West Europa

bestaan alleen maar kleine landen, zij die dat van zichzelf weten, en zij die dit nog niet weten."?

 

Want na de oprichting op 1.1.1958 van de E.E.G. der Zes, werd op 3.2.1958 overgegaan tot de ondertekening van de BENELUX-Economische Unie, verdrag dat op 1.1.1960 in werking moest treden.

 

Wat houdt dit Benelux-verdrag feitelijk in?

 

De drie landen willen komen tot vrij verkeer (p.12) van personen, goederen, kapitalen

en diensten. Dit vereist een coördinatie van het economische, financiële en sociale beleid binnen de drie landen, en naar buiten toe het aanvaarden en voeren van een  gemeenschappelijk beleid in de economische betrekkingen met derde landen, en inzake de daarmee verband houdende betalingen. Uiteindelijk betekent dit alles dat regeringen bereid zijn afstand te doen van een deel van hun nationale autonomie. Dit kan wel gauw in woorden en bedoelingen vastgelegd worden, het wordt echter moeilijker in de uitvoering en in de

feiten.

 

De BENELUX-partners die - althans België en Luxemburg - reeds 35 jaar ervaring achter de rug hadden, wisten het maar al te goed en vermoedden zelfs dat de grootse aanpak van de E.E.G. wel eens verlammend zou kunnen uitvallen, ook voor het kleinere BENELUX. Het reeds aangehaalde artikel 233 is hiervan zo illustrerend dat het de moeite loont het nog eens onder ogen te nemen, met speciale aandacht voor een gebruikte term waaruit blijkt dat de BENELUX-onderhandelaars bereid waren zeer ver te gaan in het afslanken van hun autonomie: "De bepalingen van dit verdrag vormen geen beletsel voor het bestaan en de voltooiing van de regionale unies tussen België en Luxemburg, alsmede België, Luxemburg en Nederland, voor zover de doelstellingen van die regionale unies niet bereikt zijn door

 de toepassing van dit verdrag". De BENELUX-partners wisten al uit eigen ervaring hoe lang het kan duren eer woorden en bedoelingen in daden omgezet raken.

 

 Nu heeft het er in de laatste jaren naar uit gezien alsof BENELUX overvleugeld raakte door de E.E.G., ja zelfs overbodig leek, en dan ook zijn slagvaardigheid verloren had.

 

 Het is inderdaad meermalen gebeurd dat de BENELUX-instanties bepaalde studies of initiatieven niet verder meer uitwerkten, omdat de E.E.G. er toch werk ging van maken op Europees niveau. Maar het is ook herhaalde malen gebeurd dat BENELUX die studies of initiatieven opnieuw ter hand nam, nadat vastgesteld was dat de E.E.G. geen vooruitgang boekte en in haar plechtige verklaringen bleef steken.

Een paar voorbeelden: een vijftiental jaren geleden was er een BENELUX-overleg inzake de intra BENELUX-handel en de invoer van dierlijk sperma aan de gang.

Dit werd stopgezet omdat men voorzag dat de E.E.G. hieromtrent een richtlijn zou  uitvaardigen. De E.E.G. liep hier echter op vast en het probleem werd onmiddellijk opnieuw door BENELUX ter hand genomen. Een ander voorbeeld was de invoering door de BENELUX van de nog niet operationele E.E.G.-lijst van landen van waaruit de landen van de E.E.G. vee en vlees mochten invoeren.

 

Soms komt het ergerlijk over dat België bv. bij de koplopers is in de E.E.G. voor wat betreft de toepassing van een of andere van haar aanbevelingen of verordeningen. Een zevental slachthuizen in ons land kunnen hier ellenlange verhalen over opdissen.

 

Vanwaar komt die overdreven ijver die soms aan de dag gelegd wordt door sommige van onze politici? Het is onmiskenbaar dat het bestaan van BENELUX sommige E.E.G.- verantwoordelijken en ambtenaren niet gelukkig maakt. Zij staan tegenover andere landen die in feite niets van hun autonomie willen afstaan, al hebben deze het E.E.G. verdrag ondertekend. Met het elan dat de BENELUX in zijn eerste decennium had verworven, kan het niet anders of het moet in zijn verdere ontwikkeling af en toe in botsing komen met de E.E.G. ontwikkeling die uiteraard veel logger en administratiever verloopt dan de kleinschaligere

maar vooral soepelere ontwikkeling van BENELUX. Veel verordeningen van de E.E.G. handelen over zaken die reeds hun beslag (p.13) kregen binnen de BENELUX. Teneinde het goede partnership binnen de E.E.G. te bewijzen, willen sommige politici van ons land dan wel eens iets te vlug verordeningen en richtlijnen van de E.E.G. involgen terwijl andere landen, die er dikwijls zelf mee afkwamen, er nog mee talmen.

 

Inmiddels laten onze politici meer momenten voorbijgaan waarin zij de BENELUX als model zouden kunnen stellen voor de E.E.G. Hoe dikwijls hebben zij bijvoorbeeld in de E.E.G. gewezen op de spaarzame wijze waarop Benelux werkt?

In 1998 ging dit met een begroting van 200 miljoen of 7,6 BEF per hoofd van de bevolking van BENELUX. De E.E.G kostte ons in 1984 reeds 2.058 BEF per hoofd. Voor 1999 beloopt de Belgische bijdrage uit de algemene uitgavenbegroting aan de Europese Unie 47.199,8 miljoen BEF.

 

Soms kwam BENELUX zelfs als een dreiging bij de E.E.G. over. Zo moet het voor de ambtenaren van de E.E.G een zware dag geweest zijn toen op 1.7.1984 BENELUX het zgn. enige document invoerde. Hiermee worden de wachttijden aan de binnengrenzen nog verder ingekort, aangezien al de nog resterende formaliteiten voor BTW, statistiek en deviezencontrole voortaan kunnen worden vervuld d.m.v. één enkel uniform administratief document, met slechts 16 vakjes. Het wordt afgegeven aan het grenskantoor van het invoerende land, waar de waarneming en de controle mede voor het uitvoerende land worden verricht.

 

Het comité van Ministers van de BENELUX dat deze beslissing pas op 17.10.1983 trof was er zich wel van bewust dat het om een grote innovatie ging. Trouwens de belangstelling die bepaalde Europese lidstaten hiervoor vertoonden, vooral Frankrijk en Duitsland, wees er op.

 

Waarom zoveel woorden besteed aan één formulier? Precies omdat het de aspiraties van de E.E.G. belichaamt. Dit document n° 50 vervangt een 70-tal formulieren die evenzoveel getuigenissen waren en zijn van de uitdrukking van de nationale autonomie en van de machtsontwikkeling van de administraties van de betrokken landen.

 

Drie buurlanden komen er toe op zeer korte tijd deze vereenvoudiging door te voeren. Hun buurlanden Duitsland en Frankrijk kijken meer dan belangstellend uit naar een eerste evaluatie na een half jaar praktijk. Straks volgen zij het BENELUX-voorbeeld en zullen de vijf centraal gelegen landen binnen de E.U. éénzelfde uniek document kennen, dat van die landen een gesmeerde draaischijf voor het handelsverkeer zou maken. En dan nog wel zonder E.U. maar alweer op initiatief van de drie BENELUX-landen.

 

Tegenover het feit dat BENELUX voor de E.E.G. toonaangevend en vooruitlopend was met de invoering van dit enig document, is er een schaduwzijde te melden, namelijk de accijnspolitiek. Al sinds het begin van BENELUX, is via een in 1950 ondertekende overeenkomst getracht de accijnstarieven van de partnerlanden gelijk te doen lopen. Hier werd slechts een zeer beperkte uitvoering aan gegeven:

een geünificeerde accijns op wijn en schuimwijn, waardoor deze producten zonder grensformaliteiten over het BENELUX-gebied kunnen worden gevoerd. Een uitzondering geldt evenwel voor Luxemburgse wijn, waarop bij binnenkomst in België en Nederland een aanvullende accijns wordt geheven.

 

In 1969 werd de politieke wil nogmaals bevestigd om voor accijnsgoederen alle formaliteiten aan de binnengrenzen af te schaffen en in '70 en '72 werden twee nieuwe overeenkomsten ondertekend, maar deze zijn nooit in werking getreden. Accijnsgoederen blijken in de BLEU, de BENELUX en de E.G. de kluif te zijn waarin men zich hardnekkig vastbijt. Zo is (p.14)

het fameuze document 50 dan toch niet het enige document wanneer accijnsgoederen binnen de BENELUX verhandeld worden En kijk maar naar de accijnspolitiek die o.m. door België gevoerd wordt op de olieproducten. Een accijnsverhoging voor benzine en dieselolie om het begrotingsdeficit te verkleinen, is sedert jaren een vrij gekend gebruik.

 

Wel wordt periodiek op hoger niveau herhaald dat men naar de eenmaking van de accijnzen moet streven. In het verslag van de drie regeringen aan de Raadgevende Interparlementaire BENELUX-raad, dat handelt over de periode van 1.7.1983 tot 30.6.1984, werd opnieuw gezegd dat het "overleg inzake het opstellen van een prioriteitenlijst van de met het oog op toenadering of harmonisatie van accijnstarieven in aanmerking te nemen producten "niet

kon" voortgezet worden. Deze besprekingen zullen later worden hervat".

 

Maar kom, laten wij dit accijnsgeval ten aanzien van de totale problematiek als een schoonheidsvlek beschouwen op het gelaat van de BLEU dat na haast 80 jaar heel rijpe trekken vertoont en waarvan BENELUX in zijn meer dan 50-jarig bestaan veel van geleerd heeft.

 

*  Luxemburg, één der zeventien

 

 

4 Philippart de Foy André, Forum Europaeum,  Een oplossing voor Europa, Delta, 5, mei 2001, p. 7-8

 

Een Europa van 15 lidstaten lijkt aI moeilijk genoeg te besturen zoals het verleden voldoende heeft aangetoond. Hoe gaan we dit dan doen met een Europa dat uitgebreid zal worden tot 27 lidstaten ? Dergelijk Europa loopt het gevaar te verworden tot wat Generaal de Gaulle met be-

trekking tot de U.N.O. noemde "le grand machin", verlamd vanaf het begin. Hoe vermijden dat Europa een dinosaurus wordt, niet in staat ordentelijk te functioneren ?

Zou de oplossing er niet in kunnen bestaan de kleine(re) landen te hergroeperen in grotere entiteiten ofte " deelfederaties" om een inwoneraantal te bereiken dat opweegt tegen dat van de grote landen ? Zodat bijvoorbeeld België, Nederland en Luxemburg zich aan Europa kun-

nen aanbieden als de deelfederatie " Benelux" .

Hieruit zou een dubbel voordeel voortvloeien. Vooreerst de beperking van het aantal deelnemers aan de besprekingen. Maar bovendien, en dat is minstens even belangrijk, de vereenvoudiging van de besprekingen doordat de " gehergroepeerde" landen onderling en vooraf aI tot een consensus zouden gekomen zijn, alvorens deel te nemen aan besprekingen op Europees vlak.

Teneinde reeds vanaf nu het aantal leden (15) te verminderenT zou men zich volgende hergroeperingen kunnen voorstellen:

1) Duitsland – Oostenrijk,

2) Benelux,

3) Spanje-Portugal,

4) Frankrijk,

5) Italië-Griekenland,

6) het Verenigd Koninkrijk - Ierland,

7) de Scandinavische landen: Zweden, Denemarken, Finland.

Zodra er landen uit Oost-Europa zouden toetreden zou men de groep " Duitsland-

Oostenrijk" kunnen herschikken om het overwicht van Duitsland niet té groot te maken. Oostenrijk zou dan een deelfederatie kunnen vormen met bv. Slovenië, Tsjechië, Slowakije, Polen.... Ook de Baltische staten zouden in aanmerking komen voor één groep, enz.

 

Een van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor het Europese lidmaatschap zou er in kunnen bestaan dat men moét behoren tot een deelfederatie, waar door bv het maximum van (+-) een dozijn deelfederaties niet overschreden wordt.

 

Is dit niet de stem van het gezond verstand, van de doelmatigheid en van echt staatsmansschap ?

 

Voor België zou dit voorstel en deze werkwijze bovendien het voordeel bieden dat het opnieuw leven inblaast (p.8) aan het begrip "Benelux" dat in het verleden, men moet maar denken aan het tolverdrag, alsmede aan het totstandkomen van het Verdrag van Rome, al zoveel goede diensten bewezen heeft.

 

 

5 Prof. dr. J.Q.Th. Rood, Een politieke analyse, Laat de Benelux herleven!, Delta, 8, oktober 2001, p.9-10

(verbonden aan het Clingendael-lnstituut in Den Haag (overgenomen, met toestemming, uit de N.R.C. van 28 juli 2001).

 

Sinds het begin van de maand juli is België voorzitter van de Europese Raad en de ministerraden De Belgen staan voor de zware opgave consensus te bereiken over de vraag hoe het debat over de toekomst van de Unie moet worden gericht. Dit debat. dat door de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Fischer, in mei vorig jaar werd aangezwengeld, is onontkoombaar nu de lidstaten zichzelf verplicht hebben in 2004 opnieuw te onderhandelen over de verdere institutionele, ja, mogelijk constitutionele hervorming van de EU. Is dit een reden om aan te dringen op versterking van de samenwerking tussen de Beneluxlanden?

 

Op zo'n versterkte samenwerking is in het verleden wel gepreludeerd onder verwijzing naar het gemeenschappeIijk economisch gewicht dat de Benelux een plaats onder de groten de aarde zou garanderen.

Zelfs het opgaan in één gemeenschappelijk statelijk verband is gesuggereerd. Dergelijke ideeën zijn hier niet aan de orde, al was het maar omdat zij niet stroken met de federalisering waaraan België thans onderhevig is en hoe dan ook een politiek draagvlak binnen de betrokken samenlevingen ontberen. Wél kan de vraag esteld worden of juist in het licht van de toekomstdiscussie over de EU een samenwerking gewenst is die verder gaat dan de huidige tamelijk vrijblijvende, ad hoc-consultatie en afstemming van de zogeheten Benelux-memoranda. In deze documenten formuleren de drie landen een "gemeenschappelijk" standpunt over de Unie, maar behouden zij zich het recht voor om uiteindelijk hun eigen weg te gaan.

Voor een structurele versterking van de Benelux-samenwerking pleit minimaal een drietal redenen.

 

1° Het perspectief van uitbreiding. De kwantumsprong van 15 naar 27 (of meer) leden betekent voor ieder van de huidige lidstaten een relatieve achteruitgang in positie. Het vooruitzicht gedegradeerd te worden van founding father tot slechts één van de pakweg 27 lidstaten is allicht voor kleinere landen als Belgie, Nederland en Luxemburg weinig aanlokkelijk. Maar ook zonder het schrikbeeld van marginalisering biedt deze uitbreiding voldoende reden om een grotere inspannlng te doen om de mogelijkheden tot samenwerking uit te diepen, al was het maar om binnen het in de toekomst nog bontere gezelschap van lidstaten het eigen geluid te laten weerklinken.

 

2° Er is de sterker wordende neiging van de grote lidstaten om het voortouw te nemen binnen het Europese gezelschapsspel. Dergelijke meer manifeste rol van deze landen is eigen aan de fase waarin het integratieproces verkeert. Dat geldt in het bijzonder voor de veiligheidspolitieke en militaire ambities van de Unie. Deze hebben, gegeven het intergouvernementele kader waarbinnen zij vooralsnog moeten worden verwezenlijkt, slechts kans van slagen bij aanvaarding van de bijzondere verantwoordelijkheid van de grote landen. Maar juist dan kan de mobilisering van enig effectief tegenwicht door middel van gezamenlijk optreden van de Benelux-landen nooit kwaad om een al te grote eigengereidheid van de "groten" te voorkomen.

3° en tot slot, is er de reeds genoemde discussie over de toekomst van de Unie.

Daarin gaat het niet, zoals beweerd wordt, om de vaststelling van een dwingende federale blauwdruk van het einddoel van de integratie. Inzet van dit debat is niet de vraag naar de politieke final iteit, maar naar die van de toekomstige richting van het integratieproces.

Simpel gezegd, een integratieproces dat zich sterker langs intergouvernementele lijnen zal ontwtkkelen, dan wel een Unie die geënt is op blijvend sterke communautaire en supranationale structuren.

Een vraag die toch in het bijzonder kleinere lidstaten zou moeten aangaan.

Het klassieke leerstuk luidt immers dat juist de kleinere landen belang hebben bij een evenwichtige, maar vooral krachtige communautaire structuur, en bij een voor eenieder in gelijke mate bindende Europese regelgeving.

Zo is er alle reden om extra aan te dringen op onderlinge samenwerking met als doel behoud en versterking van de communautaire instellingen en methode De kansen daartoe lijken bovendien gunstiger dan in het verleden. In september 1991 kreeg het Nederlandse ontwerpverdrag voor "Maastricht" alleen de steun van, inderdaad, België Nederland voelde zich in de steek gelaten door Duitsland, dat uiteindelijk de Franse lijn verkoos Het huidige Duitsland lijkt daarentegen bij monde van Fischer en kanselier Schröder een zelfstandiger positie in te nemen in het constitutionele debat. Een opstelling die inhoudelijk bovendien meer aansluit bij het communautaire erfgoed, maar die bovenal landen als Nederland en België grotere ruimte biedt voor eigen initiatieven.

 

 

6 Eggermont Vic, Het Letzeburgs in Belgisch-Luxemburg, Zannekin, 3, 2001, p.15

 

Onnodig voor onze lezers hier de historie van het hertogdom Luxemburg te schetsen. Ze weten dat dit hertogdom vandaag de dag verdeeld is over niet minder dan vier staten: het gelijknamige Groot-Hertogdom, België, Duits-

land en Frankrijk. Ze weten ook dat in l839 de verdeling van wat - na de Franse veroveringen uit de 16e en 17e eeuw en de Pruisische annexatie na l8l5 - nog restte van het oude hertogdom, gebeurde volgens de taalgrenslijn

Luxemburgs-Frans. Of toch nagenoeg, want in het Franstalige deel waar het Letzeburgs, zeggen we gemakshalve maar: het Luxemburgs gesproken wordt.

We hebben het hier over het Franstalige deel van Luxemburg, m.a.w. de Belgische provincie, Een recente peiling van de werkgroep Langue du Voisin (taal van de buur) onder voorzitterschap van Charles-Ferdinand Nothomb, ons evenmin onbekend, bracht aan het licht dat ongeveer 14% van de Franstalige Luxemburgers het Luxemburgs (Letzeburgs) min of meer beheerst.

Opvallend hierbij is dat deze l4% verspreid zit over de ganse provincie en dus niet alleen in het gebied dat grenst aan het Groot-Hertogdom. Van die l4% behoort weliswaar ongeveer 55 % tot een leeftijdsgroep boven de 55

jaar en ouder. De jongeren schijnen dus minder het Luxemburgs te beheersen. Onderzoek wees uit dat de meesten die taal binnen de familie geleerd hebben, slechts enkelen hebben het op school geleerd.

Gevraagd naar het nut van deze kennis vond 47 % het nuttig de taal van de Groot-Hertogdomse buur te kennen. Slechts 10% van de ondervraagden die het Luxemburgs niet machtig zijn, zouden bereid zijn die taal te leren zo ze

er de kans toe kregen, wat eenzelfde percentage is als de bereidwilligheid om Duits te gaan leren. Bij diegenen die wel Luxemburgs zouden willen leren behoren de meesten tot de leeftijdsgroep tussen 15 en 34 jaar. Ook is het opvallend dat 63 % van de ondervraagden wensen dat hun kinderen Luxemburgs zouden kennen. Daarvan zegt 80% dat dit het vinden van een betrekking zou vergemakkelijken; l7 % zou het doen om betere contacten met de buren te hebben en 5 % voor de cultuur, de overigen om gemakkelijker zijn vacantie in het Groot-Hertogdom te kunnen doorbrengen.

 

Het is duidelijk dat de economische en financiële hoogconjunctuur in het Groot-Hertogdom een sterke stimulans is om de Franstalige Luxemburgers tot het aanleren van die taal aan te zetten.

 

 

7 Cailliau Maurits, Een doodlopende straat, DELTA, 1, 2002, p.10-13

 

De Vlaamse Beweging is in feite gestart onder een vlag die de lading niet dekt. In oorsprong  en doelstelling was zij immers een beweging die terug wilde leiden naar bet Nederlandse wezen, de Nederlandse aard van de bevolking van de Zuidelijke Nederlanden.

Wat dus in feite Nederlandse Beweging had moeten heten werd, in het kielzog van een (verlaat) romantisme, Vlaams genoemd. Sedertdien worden de Zuid-Nederlandse Brabanders en Limburgers Vlamingen genoemd, terwijl de Noord-Nederlandse Vlamingen, Brabanders en Limburgers allemaal Hollanders heten te zijn.

In het spoor van een soort averechts unitarisme (op lager vlak), kregen ook de bewoners bezuiden de taalgrens een verzamelnaam toebedeeld. Henegouwers, Namenaars, Luikenaars en Luxemburgers zouden voortaan met z'n allen Walen , heten, ook al is het Waals er slechts ten dele - naast het Picardisch en het Letzeburgs – de volkstaal. Met het romantisch adagium volgens hetwelk "de taal gans het volk is", ligt de Vlaamse Beweging overigens reeds vanaf haar ontstaan overhoop. Dit unitaire beginsel werd van meetaf aan buiten gebruik gesteld voor alles wat Zuid-Vlaanderen en (breder) "les Pays-Bas Français" betreft. De lui uit die contreien blijven volksgenoten heten, ook al spreken ze, afgezien van de Frans-Vlaamse Westhoek waar het Vlaams nog enigszins wist te overleven, Picardisch en wonen ze in Frans-Henegouwen.

Het valt niet te loochenen dat er doorheen de jaren zoiets als een sociologische realiteit gegroeid is, in die zin dat de Nederlandstaligen volgens eenzelfde stramien zijn gaan reageren. In deze beperkte betekenis kan men dan ook, zij het simplificerend, van een Vlaams volk spreken.

Eenzelfde evolutie, voornamelijk gebaseerd op de wet van actie en reactie, deed zich ook voor binnen het Franstalige landsgedeelte. Vlamingen en Walen zijn in deze betekenis puur Belgische begrippen, die nergens een verworteling in het verleden hebben die dieper reikt dan 1830.

De unitaristen van het lagere vlak - en dit aan weerszijden van de taalgrens - kunnen evenwel thans reeds vaststellen dat hun "sociologische realiteit" als voornaamste bindmiddel slechts het cultiveren van de antigevoelens bezit. De coherentie groeit met het aantal en de hevigheid van de uitdagingen die de andere gemeenschap zich permitteert. Zij verslapt en ebt weg van zodra de arrogantie van de ander achterwege blijft. Het zijn derhalve de anderen die instaan voor de bezieling en de periodische heropleving of het op sterven na dood zijn van de Vlaamse Beweging (en vice versa). Een Joris van Severen heette dit terecht "de bezieling van het negativisme".

Deze - naar zijn woord – in wezen negatieve impulsen vormen de ganse inhoud - beter. het gebrek aan inhoud - van de hedendaagse Vlaamse Beweging. De verloochening van oorsprong en doelstelling - terug te leiden naar het Nederlandse wezen - betekende meteen het verlies van elke grensoverschrijdende toekomstvisie. De horizonten verschrompelden tot de (nog te ruim blijkende) Belgische begrenzing. Lilliputters naar de geest, namen we ook in ons staatsdenken Lilliputterallures aan; derhalve nemen we ons voor de scheiding van 1830 over te doen en de Zuidelijke Nederlanden op hun beurt op te delen. En dit op basis van een

onrealistisch taalcriterium. Gedreven door taalfanatisme spelen we als ziende blinden de troefkaarten uit van het Franse imperialisme.

In het verschiet liggen aldus enerzijds een Vlaams Andorra aan de boorden van de Noordzee, en anderzijds een bijkomend Frans departement met volksdemocratische allures. En dit wordt dan meteen als de voleinding van de Vlaamse Beweging en het summum van politiek denken voorgeschoteld.

Waar blijft bij dit alles de realistische kijk op de werkelijkheid? Want maken we ons geen illusies: de Vlaamse en Waalse taalfederal isten en -separatisten die zich sedert jaren afzetten - en terecht! – tegen het Belgische unitarisme, zijn in hetzelfde bedje ziek. Ook zij zijn unitaristen die hUn eenheidstaat nastreven en geen oog hebben voor de meerledigheid van en de verscheidenheid binnen hun gebieden. In hun toekomststaat is slechts de ruimte van het

- weliswaar ééntalige - keurslijf voorzien, dat zijn begrenzing blijft vinden binnen dezelfde Belgische slagbomen die Vlaanderen, Limburg, Brabant, Henegouwen en Luxemburg middendoor blijven snijden.

Een voorwaar treurige toekomstvisie die onze eeuwenoude Middengewesten – in hun andermaal bekrachtigde verscheurdheid - blijvend doemen tot de rol van een economische reus op lemen voeten, zonder hoorbare pol itieke stem en derhalve zonder waarachtige medezeggenschap binnen het Europese integratieproces.

 

Realiteitszin

 

Proberen we een stap naar de werkelijkheid toe. De zogenaamde taaldualiteit is niet de enige realiteit die onze toekomst in het nieuwe millennium bepalen mag. Maken we onszelf geen sprookjes wijs: een volgens het taalcriterium gefedereerd of opgedeeld België brengt geen oplossing voor onze samenlevingsproblemen. In het unitaire Vlaanderen kan dan straks de

strijd losbarsten tussen b.v, de West-Vlaamse Westhoek en Limburg, bij het vastleggen van prioriteiten inzake industrialisatie. Zoals tot voor kort nog over de rangorde van belangrijkheid tussen het staalbekken van Charleroi en dit van Luik gekibbeld werd. In het unitaire Vlaanderen, waar de macht voornamelijk vanuit de Antwerpse metropool zal uitgeoefend worden - zie het lot van de Doelgemeenten - zal Zeebrugge rustig alle toekomstplannen kunnen opdoeken. In het unitaire Wallonië worden de Oostkantons en het Land van Overmaas zonder enige twijfel de stiefkinderen van de nieuwe Franse rompstaat. En omtrent de toekomst van de Voerstreek zal blijken dat het laatste woord nog lang niet gezegd werd. Het overwegend katholieke Luxemburg kan een toekomst verwachten waarbij het de dupe wordt van linkse volksdemocratische bestrevingen en de mensen van Arelerland a Sprooch kunnen dan voorgoed hun pogingen staken om hun volkstaal erkend te zien (en aldus de taalrechten te veroveren die voor hun taalgenoten in het Groot Hertogdom vanzelfsprekend zijn), Ook de voorstanders van een feitelijke Waals-Franse tweetaligheid binnen de echt

Waalse streken, die via Waals taalonderwijs hun niet-Franse identiteit erkend en bevestigd willen zien, zullen dan moeten ervaren wat het "une et indivisible" naar Frans model inhoudt.

Het wordt hoog tijd dat wij de zogenaamde taaldualiteit van België naar de unitaire ideologische rommelzolder verwijzen en aandacht gaan besteden aan datgene dat werkelijk aan de orde is. Dan kunnen we er niet langer onderuit te erkennen dat die dualiteit een uitvinding is van de "terrible simplificateurs" en dat de Zuidelijke Nederlanden reeds altijd en niet het minst op taalgebied een unicum zijn geweest.

Onze Vlaamse taalideologen, die om de haverklap bij Basken, Bretoenen en Corsikanen op de schoot zitten, mochten voorwaar ook eens de gewaande Franse eentaligheid van Wallonië onder ogenschouw nemen. Daar zijn beslist interessante vaststellingen te doen op taalgebied. Zo b.v. dat alleen de steden echt verfranst zijn, maar dat in de dorpen en landelijke gebieden - niettegenstaande de praktische afwezigheid van elk onderwijs - de Waalse volkstaal springlevend is. Dat het Waals geen Frans dialect is, doch een zelfstandige Romaanse taal die, zowel in de woordvorming als in de syntaxis, fel afwijkt van het Frans, behoeft voor de taalspecialisten geen nadere uitleg. Voor hen behoeft het evenmin betoog dat het idioom van de streek van Doornik en verderop in Henegouwen tot het Picardische taalgebied behoort, dat al evenmin Waals kan noch mag genoemd worden.

Meer naar het zuiden - van Aarlen tot Diedenhofen/Thionville (in Frankrijk) - is het Frans al evenzeer import en bestaat de volkstaal uit Moezelfrankische dialecten, die in het Letzeburgisch de status van een cultuurtaal wisten te verwerven. Tegen de Duits-Belgische grens omhoogklimmend bereiken we, via het officieel Frans-Duitse tweetalige gebied van Eupen-Malmedy de streek van Overmaas, waar de volkstaal door de taalkundigen tot de Nederlandse dialecten wordt gerekend, Waals, Frans, Picardisch, Letzeburgisch, Duits, Nederlands: de meertaligheid van  het 'Walenland" steekt de ogen uit, voor wie weigert ze te sluiten voor de realiteiten.

Afgezien van de enorme verscheidenheid onder de autochtone bevolking van de zuidelijkste provincies, kan ook de immense uitwijking vanuit de Nederlandstalige provincies naar het Walenland niet over het hoofd gezien worden. Betrouwbare statistieken becijferen die uitwijking (tussen 1930 en 1980), de natuurlijke vruchtbaarheid in acht genomen, op anderhalf miljoen, Die "emigranten" hebben zich naar de taal weliswaar vlot geassimileerd, doch blijven evenzeer als de Frans-Vlamingen, naar aard en afstamming van Nederlandstalige oorsprong. In deze wordt al te vaak een loopje genomen met de logica die de verfranste Zuid-Vlamingen tot het eigen volk blijft rekenen, terwijl de "emigranten" om den brode als "vreemdelingen" bejegend worden.

 

 Naar een waarachtig federalisme

 

In wat voorafging werd gepoogd een beeld te schetsen van de brede verscheidenheid, waar het dualistisch federalisme achteloos aan voorbijgaat. Tezelfdertijd werd de Belgische begripsverwarring aangeklaagd, waardoor de Vlaamse Beweging zich vrijwillig afsluit voor elk grensoverschrijdend integratiestreven, hetzij Heel-Nederlands of Europees, waarvoor haar concept geen ruimte voorziet, ergo - binnen de optiek van hun Belgisch kader - zelfs niet kan voorzien.

Nochtans biedt de federalistische idee - die precies de eenheid in de verscheidenheid nastreeft, evenzeer als de verscheidenheid in de eenheid wil bewaard zien - het voor de hand liggend alternatief. De institutionalisering van het al te eenzijdige taaldualisme beroept zich overigens ten onrechte op de federalistische gedachte, die eerder samenbundeling in harmonie dan verscheurend dualisme tot inhoud heeft.

Een grondige bezinning op basis van de federalistische doctrine noodt als vanzelf tot het in kaart brengen van alle particulariteiten binnen het samenlevingsverband.

Op een dergelijke kaart komen de provinciale entiteiten met hun specifieke gevoeligheden naar voren als de behoeders van een historisch. verleden dat, niettegenstaande het ruimer staatsverband, een blijvende stempel heeft weten te drukken.

Daardoor bleef de specifieke eigen aard bewaard. Wat zou er meer voor de hand liggend zijn, dan de behoeders van het verleden tot beheerders van de toekomst aan te stellen?

Een reëel federalisme op basis van de provincies hoeft niet de eendracht binnen het grotere verband te schaden, doch schept een model waarbinnen de verscheidenheid aan identiteiten tot hun volle ontplooiing kunnen komen en hun eigen identiteit institutioneel kunnen bevestigen en toekomstgericht kunnen valideren.

Maar er is meer: al onze provincies zijn grensprovincies - waarbij we Antwerpen uiteraard in zijn rol van Midden-Brabant situeren. De "ontgrenzing van de grenzen" wordt dan een provinciale opdracht tot opruiming van de verstarde frontlijnen van het verleden. Die opdracht sluit dan meteen in: het terug samenbrengen van de gescheiden delen over de grenzen

heen. Het hoeft wel geen betoog dat de wegen naar de Europese integratie vlotter te bewandelen zijn aan de grenzen zelf, dan in het centralistische midden, waar tot

op heden aan die materie wezensvreemde ambtenarij de beslissingen dicteerden. Vanuit dit perspectief gezien behoren ook de bestrevingen tot afschaffing van het intermediaire orgaan die de provincies zijn, tot verderfelijke Vlaams en Waals unitaire stramien.

Ons besluit kan kort zijn: het wordt hoog tijd dat de Vlaamse Beweging de hypotheek opheft die zij op onze Nederlandse en Europese toekomstmogelijkheden heeft gelegd. Daartoe volstaat dat ze resoluut rechtsomkeert maakt in de doodlopende straat die ons elke kans op een Europese integratierol voor onze Middengewesten ontneemt.

De ganse Belgische=Zuid-Nederlandse ruimte maakt sinds eeuwen deel uit van dat historisch Middengebied dat taalkundig nooit homogeen is geweest en steeds een brugfunctie heeft vervuld tussen de ruimere Germaanse en Romaanse cultuurwerelden.

De scheiding van 1830 heeft zelfs de Noord-Nederlandse provincies niét voor meertaligheid behoed, maar een oplossing in federalistische geest verzekerde de Friezen hun rechtmatige taalrechten. We moeten eindelijk maar eens definitief breken met de schijnoplossingen - gedicteerd door onze minderwaardigheidscomplexen - die er in bestaan IJzeren Gordijnen op te trekken langsheen taalgrenzen, teneinde onze kleinmoedigheid te beschermen. We moeten resoluut en vastberaden en ditmaal definitief een tweede Nederlandse straat inslaan. Een doodlopende straat eindigt immers wel eens vaker in een getto!

 

 

8 Belmans André, Voltooiing van de Europese constructie, DELTA, 1, 2002, p.14-15

 

In De Standaard van 25 oktober en in N.R.C.-Handelsblad van 26 oktober j.l, publiceerde Marc Eyskens, gewezen Eerste-Minister en Minister van Buitenlandse Zaken, een betoog onder de titel "EUROPA, DAT IS PARIJS-LONDEN-BERLIJN" (1)

 

Hij stelt dat voor Europa de 'first best'-oplossing uiteraard de uitbouw is van een echte federale Unie met een regering, een volwaardig Europees parlement en zelfs een verkozen Europees president. Hij voegt er echter aan toe dat dit toekomstbeeld verder afligt dan ooit.

De "second best"-oplossing is dat de Europese Unie beter kan geleid worden door een driespan dan dat ze zou gaan gelijken op een gespan dat, bij gebrek aan paarden, leeg langs de weg achterblijft. Dit driespan zou gevormd worden door de drie gewezen Europese grootmachten.

Ex-Minister Eyskens voegt daar nochtans aan toe: "tenzij de kleinere leden erin slagen zich te groeperen in zo iets als bijvoorbeeld de Benelux" maar zegt hij: " de Benelux is de jongste jaren heel erg schuchter gaan schuren langs de Europese muren"

 

Onze mening: het Europese driespan is de slechtste oplossing !  De enig goede oplossing is dat de kleine en de middelgrote landen, die tijdens het tweede millennium de overmacht van

de groten tot hun schade en schande hebben ondergaan, zich vrijwillig verenigen om de "first-best"-oplossing, d.i. de federale, door te duwen. De diplomatie van de drie Benelux-landen heeft daarin een ware verantwoordelijkheid.

Een directorium van de drie gewezen grootmachten is een dwaze illusie. Niet alleen omdat deze drie hun tijd gehad hebben en niet meer zijn wat ze geweest zijn. maar bovendien omdat zij het onderling té zeer oneens zijn.

 

Frankrijk houdt hardnekkig vast aan het concept "natiestaat". Duitsland wil wel een federaal Europa en Groot-Brittannië is nauwer verknocht aan de Verenigde Staten dan aan Europa.

Frankrijk voedt nog steeds het anti-amerikanisme omdat het meent dat Europa alleen kan herenigd worden in vijandschap tegen de Amerikaanse monomacht. Duitsland en Groot-Brittannië daarentegen steunen gewillig de Atlantische Alliantie.

 

Het gebrek aan eensgezindheid, voortspruit uit deze tegenstrijdige inzichten, is de oorzaak van de stagnatie van de Europese constructie sedert het Verdrag van Rome (1957).

De as Parijs-Bonn (Traité de l'Elysée, 1963) was een sluwe zet van Generaal de Gaulle om - samen met het toen nog verdeelde en ontwrichte Duitsland - de teugels van de pas opgerichte Europese Gemeenschap in handen te nemen. Deze as heeft de  Europese eenmaking eerder gehinderd dan vooruit geholpen.

 

De monetaire Unie is een andere Franse zet om het herboren en verenigde Duitsland aan het Westen te binden.

 

De grote drie beseffen nog steeds niet dat zij een groot deel van hun krediet hebben verspeeld, Gedurende het tweede millennium hebben zij zich uitgeput in vijandschap en na ijver. Nog steeds zoeken Frankrijk en Duitsland de kleine en middelgrote landen in hun vaarwater te krij

gen of ze te destabiliseren. Een eeuwenoude machtspolitiek werkt nog altijd na. Zelden is de Franse druk op België zo zwaar geweest.

Moest de leiding van de Europese Unie aan de grote drie worden toevertrouwd, dan zouden zij er spoedig aan denken Europa onder elkaar in invloedssferen te verdelen.

P.H. Spaak had groot gelijk toen hij nog tijdens de oorlog voorzag dat de drie grote

mogendheden van Europa gehavend uit het avontuur zouden komen en dat zij zouden trachten hun machtsverlies op de kleinere landen te verhalen. Hij was de mening toegedaan dat de redding van Eudat ropa begint met de samenbundeling van de kleinere landen en

vooreerst van de Benelux-landen, Hij was er al mee begonnen te Londen in ballingschap. De kleinere landen zijn volkomen geloofwaardig wanneer zij ijveren voor Europese verstandhouding en eenmaking. Het komt hén toe het initiatief te nemen.

De eenheid van ons vasteland moet nu zijn voedingsbodem vinden in het besef dat ten opzichte van de huidige wereldmachten en van de snel opkomende Aziatische machten, met hun enorme bevolking, de afzonderlijke staten van Europa niet meer de nodige armslag hebben.

Met Marc Eyskens zijn wij het roerend eens wanneer hij schrijft dat België zijn eenheid moet bewaren. Zoniet is er geen Benelux meer mogelijk. Maar worden de ontbindende krachten binnen België niet gevoed, nu eens door Duitsland, dan weer door Frankrijk? De huidige intriges van dit laatste land liggen trouwens in de lijn van een eeuwenlang volgehouden streven naar gebiedsuitbreiding in de richting van de Lage Landen.

Wat vieren de Vlamingen ieder jaar opnieuw op 11 juli?

Een directorium van de impotente grote drie wekt een onbehaaglijk angstgevoel op bij al wie enigszins vertrouwd is met de geschiedenis van Europa.

 

(1) N.vd.R.

Wie daaraan soms zou twijfelen raden we aan het artikel van Ben van der Velden "Grote Drie wekken in EU opnieuw wrevel op" in de N.R.C.-Het Handelsblad van 5 november 2001 eens te herlezen, evenals het artikel onder de titel "Topdrie top" in hetzelfde nummer.

 

 

9 Naar een activering van de Benelux?, in : Delta, 9, 2002, p.8-9

 

Het is met veel genoegen dat wij het bericht overnemen van het persagentschap BELGA zoals dat in De Standaard van 29 augustus jl. verschenen is.

 

BELGIË-NEDERLAND

Balkenende/Verhofstadt willen Benelux-front versterken

België en Nederland moeten als Benelux meer wegen op de besluitvorming in de Europese Unie. Die wens onderstreepten de nieuwe Nederlandse regeringsleider Jan Peter Balkenende en zijn Belgische ambtgenoot Guy Verhofstadt woensdag bij een eerste ontmoeting in Brussel.

De koe wordt meteen bij de hareng gevat: België en Nederland gaan samenwerken aan een memorandum dat alternatieven voor het roterend voorzitterschap in de EU moet opleveren. "Als stichtend blok wordt van de Benelux een voorstel verwacht. We mogen niet vervallen in een systeem van een "directorium" van de grote landen, zoals wij na 11 september twee keer hebben gezien", stelde Verhofstadt.

Verhofstadt en Balkenende willen ook een nieuwe politieke impuls geven aan de sa- menwerking tussen België en Nederland wat de bestrijding van criminaliteit en drugshandel betreft. Niet dat er meteen gemengde politieteams op stapel staan, maar Verhofstadt liet wel uitschijnen dat een samenwerking zoals die tussen Frankrijk en België ook tussen de Lage Landen mogelijk moet zijn. Oak het dossier van de IJzeren Rijn werd nog eens uit de kast gehaald.

 

Tot daar het bericht van Belga. Gaan onze bewindslieden eindelijk inzien dat de Lage Landen geen kans hebben in de Europese Unie om op de beslissingen te wegen als zij niet eensgezind optreden?

 

 

10 Uit het Jaarverslag van Electrabel 2001, p.45, in: Delta, 9, 2002, p.9

 

De oprichting van een regelzone voor de Benelux zou bijdragen tot het ontstaan van een echte markt, eerst in Benelux zelf en later in Europa.

"De invoering van een enkele regelzone voor de hele Benelux zou goed zijn voor een totaal verbruik van 180 TWh per jaar. Wat vergelijkbaar is met het verbruiksvolume op de Spaanse markt. Een unieke regelzone zou in grote mate de liquiditeit van de markt en van haar werking bevorderen en zou meteen de beste garanties bieden voor concurrentie bij de regelactiviteiten. Een ontwikkeling waar alle spelers hun voordeel mee kunnen doen. Zelfs al is dit alles technisch perfect mogelijk, toch is een sterk engagement vanwege de politieke beleidsmakers noodzakelijk: voor het op stellen van een gemeenschappelijke regelgeving, het realiseren van een unieke financiële markt, het bepalen van de mate waarin de verschillende markten zich moeten openstellen... Dit zou een eerste belangrijke stap betekenen op weg naar een echte markt, in eerste instantie in de Benelux en later in Europa. Electrabel verleent daarom haar onvoorwaardelijke steun aan de initiatie- yen die op dit vlak zouden worden ontwikkeld".

Uit dit verslag blijkt overduidelijk dat Benelux een economische realiteit is en dat het aan de politici ligt om er concrete beleidsdaden aan toe te voegen. Bovendien is Benelux een stap naar de verdere Europese integratie, het vervult een pioniersrol.

Onze stellingen worden dus bijgetreden door een van de grootste Belgische bedrijven!

 

 

11 André Belmans

 

DE LAGE LANDEN EN DE EUROPESE EENWORDING

 

Sedert het presidentschap van Generaal de Gaulle stuurt Frankrijk aan op een Europa onder Franse leiding. Het hoopt samen met Duitsland de Verenigde Staten tegenspel te bieden. In de NRC van 8 januari geeft J. L. Heldring als zijn mening te kennen: " Ze zijn daar al aardig in geslaagd."

 

Er zijn echter ernstige redenen om te menen dat Frankrijk in die opzet niet zal slagen:

 

 

1. Frankrijk is niet meer wat het geweest is. Hoewel het onbetwistbaar een stevige diplomatieke traditie heeft en zijn politieke leiders vast in hun kansen geloven,

overschatten ze de mogelijkheden van hun land.

 

2. Frankrijk kan zich niet losmaken van verouderde politieke denkbeelden. Een andere politieke opbouw dan de pyramidale waarin, zoals in het Romeinse Rijk, de staat van boven naar beneden wordt geconcipieerd, kan het zich niet voorstellen.

 

Met een contractuele, van beneden naar boven opgebouwde staatkundige constructie, zoals het Zwitserse eedgenootschap, hebben de Fransen geen ervaring. Daarom hebben ze zoveel moeite met de Europese eenwording. Omdat zijzelf de handen vrij willen houden, streven ze naar een intergouvernementeel Europa. Bovendien verkondigen ze dat een federatie een federatievormer nodig heeft en dat enkel Frankrijk, of ten minste een kopgroep onder Franse leiding, daar in aanmerking voor komt

 

Dat de grote en kleine Europese volkeren zoveel arrogantie zullen kunnen aanvaarden, is ondenkbaar. Er zijn nu al tekenen van wantrouwen. Is het niet storend dat uitgerekend twee landen die Europa al zoveel onheil bezorgd hebben, nu ineens menen Europa te moeten leiden?

 

3. Na de uitbreiding naar het Oosten zullen de Duitsers volgens vele waarnemers minder geneigd zijn om het Franse spel te blijven spelen. Samen met het bevolkingscijfer geeft de verworven centrale positie Duitsland een feitelijk overwicht. De Angelsaksers hopen nog altijd dat Duitsland naar de Navo-schaapstal terug zal keren. Reeds Bismarck streefde naar een alliantie Londen-Berlijn-Moskou!

 

Volgens J. L. Heldring is het zo goed als zeker dat Frankrijkeen tegenzet beraamt. Maar betekent dat geen gezichtsverlies voor de Franse politieke leiders?

 

4. Voorts houdt F rankrijk te weinig rekening met nog een ander vooruitzicht: de opkomst van nieuwe continentale of subcontinentale mogendheden in Azië. In zijn boek Mensche und Mächte schrijft de gewezen Duitse kanselier Helmut Schmidt dat het geen vijftig jaar meer zal duren of China en Indië doen zich als wereldmachten gelden. Beide landen hebben nu al meer dan een miljard inwoners.

 

Beseft men wel wat dat aan politieke macht kan betekenen? In dat vooruitzicht doet Frankrijk er verkeerd aan een sfeer van vijandschap tegen de Verenigde Staten te scheppen. Europa kan de Verenigde Staten nog nodig hebben.

 

 

Misschien zijn dit slechts gissingen. Zeker is dat wij een titanenstrijd tegemoet gaan, waarin de kleinere landen niet ontzien zullen worden.

 

Zouden Frankrijk of de as Parijs-Berlijn de kans krijgen om de Franse plannen verder uit te werken, dan worden onze Nederlanden satellietstaten en later, zoals ten tijde van Napoleon, vazalstaten.

 

De kleinere landen zijn hun soevereiniteit al grotendeels kwijt. Bovendien komen de verordeningen van de Unie op weinig democratische wijze tot stand. Nadien kunnen de grote landen zich veroorloven ze aan hun laars te lappen, de kleine niet.

 

Willen de Lage Landen nog meetellen, dan moeten ze voortaan alles in het werk stellen om hun positie in de wereld te versterken. Samen beschikken ze over nog niet uitgespeelde troeven. Het komt erop aan in het bestaande bestel meer gewicht in de schaal te leggen, hun stem luider te laten horen. De allererste vereiste is dat ze een vuist maken, dat zij in welke vorm ook als eenheid optreden.

 

Een tweede vereiste is dat ze ernaar streven om in de Europese Unie gezamenlijk de status van een grootmacht te verwerven. Vanzelf zal deze bundeling van de versnipperde Lage Landen zich niet voltrekken. Er zal voor geijverd moeten worden. Vandaag kan het vanzelfsprekend lijken dat Polen, eeuwenlang onder drie grootmachten verdeeld, na de Eerste Wereldoorlog herenigd werd, maar dat heeft veel inspanningen en diplomatie gevergd.

 

De Lage Landen hebben echter veel troeve in handen: hun gewicht in de wereldeconomie, hun belangrijke bijdrage aan de Europese cultuur en hun geopolitiek belang: .

 

1. Voor een belangrijk deel van het Europese vasteland zijn ze de natuurlijke uitweg naar de open zee. Ze zijn veruit de voornaamste Europoort en vormen een knooppunt tussen Noord en Zuid en tussen Groot-Brittanië en het continent. Vanzelfsprekend denken de inwoners van de Lage Landen aan dit brede hinterland van hun havens. Als handels- en industriestaten hebben zij immers te allen tijde met vele delen van Europa zakelijke betrekkingen onderhouden.

 

2. Nooit hebben ze zich door machtsdenken laten leiden, en niemand voelt zich door hen bedreigd. Ieder bekrompen nationalisme is hun vreemd, en voor extremisme zijn ze veel te nuchter. Veeleer was hun politieke houding altijd door een streven naar evenwicht gekenmerkt. De Brabantse dichter Jan-Baptist Houwaert, die het vertrouwen van de Zwijger genoot, hield zijn landgenoten voor: " HoU middelmate". Tekenend is ook dat de eerste opsteller van een tractaat over het volkenrecht, Grotius, uit onze landen stamt.

 

3. In de eerste jaren na de oorlog traden de Benelux-landen als vaandeldragers van de Europese samenwerking op. Het lukte P.-H. Spaak, J. W. Beyen en J. Bech het Verdrag van Rome (1957) door Frankrijk, Duitsland en Italië te doen aanvaarden. Iemand die het van dichtbij heeft meegemaakt verklaarde dat de Nederlander Beyen de inspirator was, Spaak de gewiekste uitvoerder en Bech de wijze raadgever.

4. Het begrip "Benelux» heeft in vele kringen, ook in het buitenland, ingang gevonden.

Vaak noemt men trouwens de Lage Landen "de Benelux-landen». Het komt erop aan dit geografische begrip inhoud te geven.

5. Voor andere delen van Europa kan het voorbeeld van de Benelux inspirerend werken.

In de Skandinavische landen zijn er al pogingen tot groepsvorming geweest. In Oost-Europa heeft de "Groep van Visegrad» (polen, Tsjechië, Slowakije en Hongarije) al bijeenkomsten gehouden; ze spiegelen zich aan het voorbeeld van de Benelux. Soortgelijke regionale groeperingen zouden het Verenigde Europa evenwichtiger en in elk geval ook levendiger maken. De grote verscheidenheid van Europa moet inderdaad in acht worden genomen. E r zijn zo grote economische en culturele verschillen dat ze regionale aanpassing vereisen. Zelfs het federale Zwitserland werkt met kaderwetten, met welker uitvoering de lokale instellingen worden belast. Ook het subsidiariteitsbeginsel moet hier worden toegepast

 

6. Door zich als verdedigers van de rechten van de kleine landen op te werpen zouden de

Benelux- landen in Europa groot aanzien verwerven.

 

Teneinde de gelijkwaardigheid van alle partners te bevestigen hebben de Benelux- landen al voorgesteld om alle lidstaten in één van de wetgevende Kamers, de Statenkamer, hetzelfde aantal zetels toe te kennen.. Gelijkheid in één van beide Kamers zou tevens het streven naar overwicht van een coalitie van grote staten verijdelen. In grote en kleine federale staten zoals de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland schenkt zulk een regeling sinds jaar en dag voldoening.

 

Elk Europees land, of klein of groot, heeft op een gegeven moment in de geschiedenis een belangrijke rol gespeeld. Door de toentertijd gebruikelijke machtsmiddelen - intriges, dwang, oorlog - hebben de huidige grote Staten in de laatste eeuwen ten nadele van andere Staten hun macht verworven. Het zou onrechtvaardig zijn als de minderwaardige positie van de kleine landen nu bekrachtigd zou worden en zij feitelijk afhankelijk zouden worden van de grote landen.

 

 

BESLUIT

 

Tegenover de huidige pogingen om Europa een nieuwe staatkundige structuur te geven mogen de Lage Landen geen afwachtende houding aannemen. Onverdroten moeten ze hun nuchtere zienswijze verdedigen. Al wat ze willen is het welslagen van de inspanningen die sedert een halve eeuw geleverd worden voor een vrijwillig aanvaarde en eerlijke Europese eenwording.

  

*Pierre Pfimlin en Raymond Legrand-Lane : L'Europe Editions Plon, 1966

 

 

12 Belmans André, E DIVERSITATE UNITAS / GEOPOLITIEK, 2004

 

Senator Hubert LEYNEN schreef eens in "Het Belang van Limburg" dat de noodzaak van Benelux-samen werking niet bewezen moet worden. "Het volstaat een blik te werpen op een kaart van West-Europa om ervan overtuigd te zijn."

 

De Benelux-landen ontlenen hun samenhang onder meer aan hun ligging tussen drie gewezen grootmachten, die hun vroegere ambities nog lang niet hebben afgezworen. Het mag ons niet verwonderen dat ze, om hun verlies aan macht in de wereldpolitiek enigszins te compenseren, hardnekkig pogen kleinere landen in hun vaarwater te krijgen.

 

En dit des te meer daar de Lage Landen het meest ontwikkelde deltagebied ter wereld en tevens een met heel Europa verweven verkeersknooppunt zijn. Ze zijn terzelfdertijd een gebied met grote en kleine havens en een "roundabout-country". Alleen hun eigen inwoners onderschatten deze geopolitieke betekenis.

 

Hun gunstige ligging en hun infrastructuur verklaren hun bevolkingsdichtheid en hun benijdenswaardige welvaart.

 

Al deze natuurlijke gegevens en het vredelievende karakter van hun bevolking sporen deze landen aan zich spontaan voor alles wat de verstandhouding in Europa kan bevorderen in te zetten.

 

Daarom ook willen ze zich op gelijke afstand van de drie gewezen grootmachten, hun buren, houden. Ze weten dat ze zich er niet toe mogen laten verleiden in dezer onderlinge twisten partij te kiezen, De ondervinding heeft hun geleerd dat ze, telkens wanneer ze zich in het vaarwater van een van hun buren wagen, mogen verwachten het slachtoffer van het ongenoegen van de beide andere te worden.

 

Ook zijn ze wijselijk op hun hoede als continentale buren beweren een einde aan hun eeuwenoude vijandschap te maken en zelfs een exclusief bondgenootschap aangaan.

 

In geopolitiek opzicht is de positie van de Lage Landen met die van geen enkel ander deel van Europa te vergelijken, behalve misschien met die van Polen, dat tot driemaal toe onder machtige buren werd verdeeld en zelfs territoriaal werd opgeschoven.

 

Wanneer bekwame staatslieden deze feiten in acht nemen en hun troeven behendig weten uit te spelen, gaan onze landen een schitterende toekomst tegemoet. Dan zullen politieke  commentatoren de samenwerkende Lage Landen opnieuw "het laboratorium van Europa", "the cockpit of Europe" of "het kloppende hart van Europa" noemen.

 

 

13 Belmans André, FRANKRIJK BEGAAT EEN HISTORISCHE VERGISSING, 2004

 

Het is een oude droom van het Gaullistisch Frankrijk een Europese Defensiemacht te zien tot stand komen. Dankzij zijn atoomwapen zou het daarin de bovenhand hebben.

 

Het is een van die strategieën die Frankrijk beraamt om zijn overwicht in Europa te verzekeren en te bestendigen. (Une Ambition Française door Alain Duhamel - Ed. Plon). Er is wenig kans dat Frankrijk in een dergelijk opzet slaagt. Trouwens wat betekent een defensiemacht zonder een heuse Europese politieke macht?

 

Het tijdperk van de Natiestaten is voorbij. Wij beleven een schaalvergroting. Er stellen zich steeds meer problemen die nog slechts op continentaal of subcontinentaal niveau kunnen worden opgelost.

 

Van een evenwichtige verhouding tussen de Europese en de Amerikaanse pijlers van het Atlantisch Verbond kan er alleen sprake zijn wanneer al de Europese partners eraan verzaken zich als natiestaat te doen gelden. Dat wil zeggen dat zij het princiep van de "souverainité une et indivisible" moeten laten varen , dat zij aanvaarden dat het Europees belang voorrang heeft op het nationaal belang.

 

Dus ook geen vetorecht meer in om het even welk Europees orgaan. Wel democratische besluitvorming van gelijkgestelde partners zoals voorgeschreven door de Conventie van Philadelphia (1787) d.w.z. een stelsel van twee wetgevende kamers waarvan de ene proportioneel is samengesteld en de andere paritair.

 

Het houdt ook in dat alle particuliere allianties binnen de Unie (zoals de As Parijs-Berlijn) uitgesloten zijn. Bovendien verplicht het de lidstaten tot federale loyaliteit en veroordeeit het alle achterbakse intriges en aparte afspraken zoals deze namens "la Francophonie" of nog "l'Afrique Française".

 

Alleen met inachtneming van deze voorwaarden kan Europa als dusdanig nog een factor van

betekenis worden in de wereldpolitiek.

 

De Verenigde Staten leren hoe in een tijdspanne van amper twee eeuwen een geduchte wereldmacht kan worden opgericht. Moest Europa de regels voorgeschreven door de Conventie van Philadelphia in acht nemen het zou in korte tijd de Amerikaanse macht evenaren en zelfs overtreffen. Het was een Fransman Alexis de Tocqueville, die reeds in 1848 voorspelde dat de Verenigde Staten van Amerika een wereldmacht zouden worden. (De la Démocratie en Amérique).

 

Maar het Gaullistische Frankrijk wil er niet van weten. Het blijft onwrikbaar trouw aan de

aloude Machiavelistische richtlijnen van Richelieu. Het waant zich nog steeds een machtscentrum met satellietstaatjes, vazalstaatjes en invloedsferen waarin strategische ondernemingen worden opgekocht en ijdele politici worden omgekocht. In tijden van oorlog spreken de wapens en in vredestijd haalt men zijn slag thuis met geld.

 

Met zulk een partner gaat Europa nog bittere teleurstellingen tegemoet. Spaak had dat al vijftig jaar geleden voorzien. Met zijn Bonapartistische geestesgesteltenis is Frankrijk onbekwaam een nuttige bijdrage te leveren tot de opbouw van een Verenigd Europa. Het sleurt integendeel Europa mee in zijn teloorgang. (Alain Peyrefitte: Le Mal Français. Ed. Plon).

 

Andermaal begaat Frankrijk een historische vergissing. Het meent dat Europa slechts kan verenigd worden dankzij een strijd tegen een gemeenschappelijke vijand en dat deze vijand thans de oppermachtig geworden Amerikaanse Unie is.

 

Deze mening knoopt aan bij oude herinneringen. Sedert de Honderdjarige Oorlog hebben de Angelsaxers steeds de Franse ambities in de weg gestaan. Zij hebben Lodewijk XIV gedwarsboomd. Zij hebben de inspanningen van Bonaparte verijdeld. Zij hebben het meesterschap over de wereldzeeën veroverd. Zij hebben een wereldrijk gesticht waarvan de luister deze van het Franse overtrof.

 

Bij de teloorgang van deze "imperia" heeft de Atlantische dochter van het Britse Rijk het heft overgenomen. De Amerikaanse monomacht zit Frankrijk dwars. Zij heeft dit land de opperste vernedering toegebracht toen zij Frankrijk uit een hachelijke Duitse bezetting heeft bevrijd.

 

Generaal de Gaulle heeft veel bijgedragen om deze aloude Franse geestesgesteltenis weer op te wekken en diep in te prenten. Sedert lang reeds voor de crisis met Irak ontwikkelde de Franse propaganda stelselmatig een anti-amerikaanse stemming.

 

Aan historisch besef heeft Frankrijk geen nood. Maar het mist toekomstvisie. Zijn onstuimig Gallische temperament verblind zijn oordeel. Zijn impulsieve president speelt in op het door De Gaulle weer aangewakkerde grootheidswaanzin.

 

De politieke leiders van Frankrijk schijnen niet in te zien dat er in Azië nieuwe wereldmachten gereed staan om aan te treden. Nochtans was het een Fransman, Alain Peirefitte die in 1973 een lijvig boek publiceerde "Quand la Chine s'éveillera, Ie monde tremblera". Waarop hij in 1996 een vervolg schreef: "La Chine s'est éveillée".

 

Maar er is niet alleen China met zijn miljard twee honderd miljoen inwoners. Er is ook India dat het miljard inwoners heeft bereikt. In de buurt zijn er nog meer landen met snel toenemende bevolking en met een cultuur en een geschiedenis die veel ouder zijn dan deze van Europa. De gewezen Duitse kanselier Helmut Schmidt, meent dat deze landen zich binnen de halve eeuw zullen doen gelden. (Menschen und Mächte).

 

Wat betekenen daar tegenover onze Europese Natiestaatjes, die nog geen honderd miljoen inwoners tellen?

 

Wat men ook moge denken van de Amerikaanse initiatieven, het is een grote vergissing op dit

ogenblik een breed front op te zetten tegen de Verenigde Staten. Moesten deze aan het tanen gaan voordat Europa zelf een geduchte macht is geworden, dan staat ons Aziatisch schiereiland bloot aan de ambities van de nieuwe wereldmachten uit het Oosten.

 

Een gevolg daarvan zou kunnen zijn dat het centrum van het wereldgebeuren zich veplaatst naar de boorden van de Stille Oceaan waar de Verenigde Staten nog een rol te spelen hebben . De Angelsaksers zijn niet de vijanden van Europa. Zij hebben het herhaaldelijk bewezen.

 

(Brussel, Maart 2003)

 

 

14 Mouton Alain, Noord en Zuid: een economische verbondenheid, in : Delta 5/ 2004, p.6-10

 

(p.6) Een land of regio kan in de huidige globalisering pas overleven als het economisch gezien lokaal sterk verankerd is en daarnaast in staat is nieuwe samenwerkingsverbanden aan te gaan - ook buiten de grenzen van de huidige natiestaat. Als gevolg van de globalisering van de samenleving zijn er nieuwe communicatienetwerken tussen de gemeenschappen ontstaan, die de vastgeroeste structuren en de bestaande grenzen overschrijden.

We hoeven slechts naar de Benelux te kijken. De Euregio Kortrijk-Moeskroen-Rijsel bijvoorbeeld kent al jaren een sterke economische groei. Het gaat hier om een activiteit die grensoverschrijdend is: de regio's trekken zich als het ware aan elkaar op, Men kan gerust stellen dat wat in Zuid-west-Vlaanderen, Henegouwen en Noord-Frankrijk gebeurt, staat voor een algemenere ontwikkeling. Bovendien hebben we hier te maken met een voorbeeld van een geslaagde economische omschakeling: naast de klassieke industrieën is er nu ook plaats

voor nieuwe technologieën.

Deze nieuwe samenwerkingsverbanden - dat is toch wel zeer opmerkelijk - gaan terug op eeuwenoude structuren. Rijsel, Kortrijk en Moeskroen maakten immers deel uit van het middeleeuwse Graafschap Vlaanderen. Ook elders zien we vergelijkbare samenwerkingsverbanden, Als we de blik op het Oosten richten, zien we dat Limburg zich evenzeer op Duitsland, Luik en Nederlands Limburg oriënteert dan op de rest van Vlaanderen.

De nieuwe economische regio' s bewegen zich deels langs nieuwe grenzen en bevatten daarnaast lokale entiteiten die een zeer oude verbondenheid hebben met elkaar en de Gleichschaltung van de moderne natiestaat hebben overleefd. De steden hebben bijvoorbeeld een belangrijke mate van zelfstandigheid behouden. Krysztof Pomian, een Pools auteur, beschrijft dit laatste fenomeen als volgt: " In de loop van de geschiedenis ontstond een netwerk van steden die duurzame relaties met elkaar aangingen. Van Brugge en Gent overspande het netwerk het Rijn-

land, Zuid-Duitsland, Zwitserland, de grote ltaliaanse Meren tot in Genua, Florence en Venetië. De steden aan de Rijn vormden de basis van drie andere samenwerkingsverbanden: de Hanzesteden (met Hamburg, Bremen, Lübeck en Gdansk), de as Parijs-Lyon-Rhône-vallei tot Marseille en Barcelona en ten slotte een oostelijke as naar Praag en Wenen toe. Die steden kenden hun sterkste ontwikkeling in een systeem van beperkte politieke anarchie. Niet gewrongen binnen een politieke ruimte maar met een sterk identiteitsbesef en autonomiestreven,

getuige de privileges die ze wisten af te dwingen," (1 )

 

Oude gemeenschappen en nieuwe economische structuren

 

Die oude gemeenschappen zijn dieper geworteld dan men denkt. De Belgische staat is er nooit in geslaagd ze 'over te planten', Vlaanderen en Wallonië hebben zowel op macro- als micro-economisch vlak een verschillende ontwikkeling gekend, al van voor 1830. Het zuiden van het land en dan vooral de streek rond de Borinage, Charleroi en Luik, was sterk beïnvloed door de eerste industriële revolutie en was samen met Groot-Brittannië één van de productiefste gebieden ter wereld. Een groot deel van de Belgische welvaart werd in die tijd geleverd door Wallonië. Vlaanderen was toen grotendeels agrarisch, op de textielindustrie in het Gentse na. (p.7) Het maakte in de jaren '60 de sprong van een preindustriële naar een postindustriële samenleving Cmeer diensten) en de achterstand verkeerde daarmee in een voorsprong, De vraag is nu, of het huidige Vlaanderen, erfgenaam van grote delen van het oude graafschap en hertogdom Brabant, sterk genoeg is om de rest van de Benelux mee te trekken in een opwaartse economische beweging. Dat is naar onze mening zonder twijfel het geval, zeker nu de verschillen met de economische structuur van de omringende regio's aan het verminderen zijn.

 

Aan het begin van de 21 ste eeuw groeit men in de hele Benelux in de richting van een dienstensector - overigens een Europese trend - maar sommige oude structuren blijven hardnekkig standhouden. In Vlaanderen zweert men bijvoorbeeld steeds meer bij corporate governance of behoorlijk bestuur. Het houdt in dat de meeste macht gelegd wordt in de handen van de managers en niet in die van de aandeelhouders. Dat heeft onder meer als gevolg dat het gemakkelijker is om een langetermijnpolitiek te voeren. Franstalig België daarentegen sluit nog altijd in belangrijke mate aan bij het Franse systeem, waar de zogenaamde referentieaandeelhouder (die met het meeste aandelen) het voor het zeggen heeft. Het Franse economische systeem is ook altijd uitgegaan van een sterke greep van de staat op de economie. De Nederlandse en ook Vlaamse bedrijfsleiders staan mijlenver verwijderd van wat in Frankrijk Cen ook voor een deel in België) onder een PDG (president-directeurgeneraal) verstaan wordt.

 

De Franse en de Angelsaksische school

 

Staat en economie zijn in Frankrijk van oudsher met elkaar verweven. Dat uit zich onder andere in de aanwezigheid van oud-studenten van de grandes écoles CENA, polytechnique) in de top van de ondernemingen. Alvorens carrière te maken in de politiek, moet je eerst in een aantal bedrijven uit de privé-sector of bij semi-

overheidsinstellingen je strepen hebben verdiend. Op die manier ontstaat een netwerk van contacten tussen politiek en economiet en dat ziet men ook terug in de bedrijfscultuur. In de meest strategische sectoren is de staat op zijn minst vertegenwoordigd als sterke minderheid in de aandeelhoudersstructuur. Over het algemeen zijn die aandelen dermate versnipperd dat de Franse staat met amper 25 of zelfs 12,5 % een beslissende rol speelt in het reilen en zeilen van de onderneming. De belangrijke beslissingen worden immers genomen door de aandeelhouders.

 

De Angelsaksische school (vooral bekend onder de naam corporate governance of vrij vertaald 'behoorlijk bestuur') vindt het vanzelfsprekender dat de bedrijfsleiding en niet de aandeelhouder de strategie van een onderneming bepaalt. Een theorie die in Nederland vaste waarde verworven heeft en ook in Vlaanderen op steeds meer aanhang kan rekenen. Wallonië wordt echter nog grotendeels door het Zuiden gedetermineerd.

Er is echter verandering in zicht. Door het verzwakken van de Brussels-francofone greep op de Waalse economie en het ook in Wallonië toenemende belang van KMO's (kleine en middelgrote ondernemingen) (p.8) die in hoogtechnologische sectoren hun geluk wagen, komen er nieuwe perspectieven. Intussen groeien Vlaanderen, Wallonië en Nederland via lokale en subregionale netwerken onmiskenbaar naar elkaar toe. Vooral Wallonië is echter nog lange tijd schatplichtig geweest aan de Generale Maatschappij, die eind oktober definitief werd begraven.

 

Culturele verschillen : de Generale en de pensioenfondsen

 

De Generale, die lange tijd de Belgische economie schraagde, symboliseerde de stuiptrekkingen van het oude systeem. Dat konden we de voorbije jaren onder andere zien in de banksector. Daar onderscheidt België zich fundamenteel van het Noorden. In Nederland was men zich veel vroeger bewust van het feit dat de banken

slechts konden overleven als ze verder keken dan hun eigen achtertuin en zich bij fusies niet te veel door emotionele argumenten lieten leiden.

 

Terwijl de Belgische banken niet verder kijken dan 300 kilometer (Parijs!), varen onze Noorderburen uit in de vier windstreken, in navolging van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de eerste multinational. Een traditie die eeuwen later, op het einde van de jaren '80 van de 20ste eeuw, zijn vruchten heeft afgeworpen. De Nederlandse banksector heeft zich dan op een snelle manier weten te hergroeperen: een monsterfusie zoals NMB-Postbank, later aangevuld met Nationale Nederlanden en omgevormd tot lNG en de fusie ABN-AMRO. De toenmalige Generale Bank kon mee de boot instappen, maar zoals te verwachten viel, staken juridische en vooral culturele problemen stokken in de wielen.

 

Die culturele verschillen uitten zich ook in gebrek aan initiatief aan Belgische kant. Als er opgetreden moest worden, bleven de Belgen aan de kant staan. Dat was het geval toen de Post op zoek ging naar een financiële partner en zowel ING als het Franse Crédit Lyonnais afvielen, omdat ze te zeer de rust zouden kunnen verstoren

die in het Belgische financiële landschap heerste. Idem bij de privatiseringen, waar een optie zoals een gewone beursgang op huiver werd onthaald.

 

En in het Noorden beschikt men over één groot voordeel: daar bestaan belangrijke pensioenfondsen of reserves die dienst kunnen doen als niet te veronachtzamen aandeelhouder. Dit 'volkskapitalisme', waar onder andere premier Guy Verhofstadt vroeger de mond vol van had, bestaat binnen het Belgische bestel niet, al heerst er in dat verband in Vlaanderen een tamel ijk brede consensus over het nut van zulke reserves, ook ter linkerzijde.

 

De economische toenadering van Nederland, Vlaanderen en Wallonië

 

Vlaanderen is alvast aan een inhaalbeweging begonnen die een culturele omslag betekent: durfkapitaalfondsen voor groeibedrijven schoten de voorbije jaren als paddestoelen uit de grond. Ze vonden lange tijd gretig afname bij jonge en minder jonge high-tech-bedrijven. Na de ineenstorting van de technologiemarkt in 2001, kreeg de sector het echter zeer moeilijk. Maar stilaan wordt nu toch de overgang gemaakt van de KMO, de familiale naar multinationale ondernemingen, die met risicodragend kapitaal hun groei kunnen financieren. De Vlaamse regering neemt ook maatregelen (of is het op zijn minst van plan) om bedrijven te helpen gemakkelijk aan investeringsmiddelen te komen (denken maar aan de Arkimedesplannen of de Tante Agaatregeling).

 

Vlaanderen zorgt er zo voor dat het kunstmatige onderscheid dat politici maken tussen het (Vlaamse) belfortmodel en het (Nederlandse) poldermodel, wegvalt. De aanwezigheid van dat kapitaal heeft zijn belang met het oog op de toekomst. Volgens de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en ontwikkeling)

wordt een derde van de groei door het beschikbare kapitaal gedreven en de rest door  productiviteitsverbeteringen.

 

En ook Wallonië haakt zijn wagentje aan de trein vast. Langzaam maar zeker worden daar de oude gewaden afgegooid en groeit er een KMO-cultuur die zich richt op nieuwe technologieën. Op het vlak van biotechnologie is er bijvoorbeeld een aantal bedrijven die in Namen en Luxemburg goed scoren. Idem voor Waals-Brabant, Alleen de oude industrie-as tussen de Borinage en Luik dreigt uit de boot te vallen, maar daar staat men voor de

keuze: van de streek een 'Bokrijk van industriële archeologie' maken, of eveneens resoluut voor de nieuwe economie kiezen.

 

Deze nieuwe ontwikkeling zien we in de hele Benelux, Zo positioneert onze delta zich rond Maas, Rijn en Schelde als één geheel. Wat een verschil met pakweg 20 jaar geleden, toen de economische sectoren waarin elke regio actief was, te ver van elkaar verwijderd waren.

 

De Benelux als ideale constellatie voor de kenniseconomie

 

De groeibedrijven in de Lage Landen zijn gebaseerd op kennis, die een volwaardige productiefactor is geworden naast arbeid en kapitaal. Vlaanderen is in Europa een van de regio' s waar sinds een paar decennia een sterke kennisconcentratie plaatsvindt, en dat heeft een positief effect op de omringende regio' s. De internationalisering van de economie versterkt de zogenaamde technologiedistricten. ln de wereldeconomie zijn het alleen eilanden

van kennis die tot volle ontwikkeling kunnen komen. Zo'n eiland nu is de Schelde-Maas-Rijn-delta.

 

Volgens Kenichi Ohmae in The End of the Nation State functioneren economische gehelen van 5 tot maximaal 20 miljoen inwoners optimaal. Binnen de Benelux kan men verschillende netwerken van 5 miljoen inwoners terugvinden. Het Vlaams Gewest uiteraard, maar evenzeer Belgisch- en Nederlands-Limburg, plus de provincie Luik en de streek rond Aken en Keulen. (p.10) Wordt de dimensie groter, dan treden negatieve schaaleffecten op en wordt het voordeel voor de kenniseconomie geneutraliseerd. De Benelux is dus een ideaal geheel voor technologie- en groeidistricten: overzichtelijk, geïntegreerd in de wereldeconomie, maar gevaccineerd tegen

de grootschaligheid. Wat niet wil zeggen dat de Vlamingen niet moeten blijven proberen om grote multinationals op de kaart te zetten. Het aantal bedrijven in het Zuiden met een wereldwijde reputatie is op de vingers van één hand te tellen. Vlaanderen heeft Bekaert en Janssen Pharmaceutica, en dat is het dan. Wat een verschil met ronkende namen als Shell, Philips, C&A of Ahold.

 

lJiteraard zijn er ook problemen tussen Noord en Zuid. De verschillende havens (Antwerpen, Rotterdam, Vlissingen, Zeebrugge en Gent) werken niet samen, maar concurreren met elkaar. De IJzeren Rijn blijft een moeilijk thema. De druk van de markteconomie (lees: de bedrijfsleiders) op de politici zal de komende jaren nog

toenemen, omdat men weet dat een efficiënt distributiesysteem meer dan ooit belangrijk is voor een moderne economie. De Europese vervoersystemen vloeien traditioneel langs een as Noord-Zuid. Dat zal op termijn moeten worden aangevuld met een as Oost-West en de economische dynamiek evolueert ook in die richting.

 

Benelux en de ons omringende regio's zoals Frans-Vlaanderen en Noordrijn-Westfalen spelen daarin op geografisch vlak een strategische rol.

 

Maar we zijn er nog niet

 

De onderdelen van de Benelux groeien op economisch vlak zonder enige twijfel naar elkaar toe, Een mogelijke hinderpaal blijft echter de macro-economische situatie. Vroeger konden landen met elkaar concurreren door hun munt te devalueren. Met de euro is dat niet meer mogelijk en dus moeten er andere manieren worden gezocht om competitief te blijven. Door de loonkost naar beneden te halen bijvoorbeeld.

 

En daar staat men in het Noorden en het Zuiden niet echt op dezelfde lijn. In Nederland werd er onlangs een loonstop doorgevoerd: gedurende twee jaar zullen de lonen er niet langer stijgen. Aangezien dat in België wél het geval is zal de loonhandicap in het zuiden aanzienlijk toenemen. Men spreekt van een verschil van 10%. Dat betekent dat een Belgische werknemer 10% duurder zal zijn dan zijn collega in het Noorden. Het feit dat twee

landen die voor el kaar zeer belangrijke handelspartners zijn, zo met elkaar concurreren, wijst erop dat er nog een lange weg valt af te leggen.

 

 

15 Camerlynck Leo, Europa zal Belgisch zijn of het zal niet zijn, in: Delta 7/2004, p.13

 

Deze woorden komen uit de mond van niemand minder dan Benno Barnard, de Belgisch-Nederlandse schrijver en publi­cist.

 

Hiermede bedoelde de auteur van Uitge­steld Paradijs dat Europa de verscheiden­heid aan talen en culturen zal beschermen of dat het anders dreigt uit te groeien tot een groot geheel met één taal, het Engels, en waar de cultuurvervlakking elke diver­siteit fnuikl.

Met "Belgisch" wilde Benno Barnard ver­wijzen naar de huidige Belgische staal. Maar in historische verband is Belgisch ook synoniem voor Nederlands. De Leo Belgicus is er het mooiste voorbeeld van.

 

De Benelux, die ook grotendeels de histo­rische Nederlanden uitmaakt, lag aan de wieg van het éénwordend Europa. Wij maakten er al eerder melding van. Binnen de grenzen van die Nederlanden kiemde het Europese samenhorigheidsbesef. Het zou jammer zijn indien wij die voortrek­kersrol niet zouden blijven behartigen. Binnen de circa 85.000 km2 van de histo­rische Nederlanden ontwikkelden zich ta­len en levensbeschouwingen, maar er bleef één gemeenschappelijke cultuur overeind ondanks de balkanisering van het gebied.

 

De talen, het Nederlands, het Fries, het Duits, het Letzeburgs, het Frans, het Waals, genieten bescherming. De levens­beschouwingen, religieus of humanistisch, worden geëerbiedigd. Dàt moet model staan voor heel Europa. Dat het in het verleden niet altijd zo is geweest en dat het resultaat niet zonder slag of stoot werd bekomen, staat buiten kijf. Maar alles is tot rust gekomen. Een lers EU-ambtenaar vertrouwde me ooit toe dat de Nederlan­den hat laboratorium voor Europa zijn. Dit moet er ons toe stimuleren niet alleen een voortrekkersrol te spelen, maar tevens een taak van behoeder en uitdrager van het dier,baar Nederlands gedachtegoed te vervullen. Te vaak ontbreekt het binnen die Nederlanden evenwel aan voldoende zelfvertrouwen om die opdracht te behar­tigen. Economische motieven werken nog vaak remmend, denken wij bvb. maar aan de IJzeren Rijn.

 

Maar er zijn meer tekenen van verbon­denheid dan onenigheid. Het jongste voorbeeld van succesvol grensoverschrij­dend initiatief is "Rijsel 2004 Europese Culturele Hoofdstad".

Rijsel werkt sarnen met historisch Neder­landse steden zoals Atrecht, Grevelingen, Robaais binnen de Franse Nederlanden, maar ook met steden zoals Kortrijk en Antwerpen binnen Belgisch-Vlaanderen en met Doornik en Bergen binnen het Walenland

 

 

16 Onze "stapstenen", in: Delta, 3, 2006, p.7-8

 

Eerste objectief:

De Beneluxlanden moeten naar Europa toe spreken met één stem, zoals gevraagd in het Benelux Manifest dat onlangs door enkele vooraanstaanden werd gepubliceerd en dat inmiddels al door 250 personen werd onderschreven.

Tweede objectief:

Langzaam   maar   onophoudend   dienen wetten, administratie en instituties van de drie landen op elkaar afgestemd te worden en dient de samenwerking op elk vlak bevorderd, zodat wij voor het buitenland als één geheel gelden.

Derde objectief:

In afwachting dat wij ooit de definitieve en algehele sluitsteen kunnen plaatsen op het gebouw van de Nederlandse eenheid, dienen de drie landen een overkoepelend GEMENEBEST te vormen, waarbij Nederland een gedecentraliseerd koninkrijk blijft en België een geregionaliseerd koninkrijk op basis van een grondig herzien en bijgevolg écht federalisme.

Buitenlandse politiek en landsverdediging vallen onder de bevoegdheid van het Gemenebest. Daarvoor moet er natuurlijk een Uitvoerende Gemeenschappelijke Raad komen.

 

 

17 Baetens Ludo, Voor een BENELUX-GEMENEBEST in een Europese Federale Unie, in : Delta, 2, 2006, p. 15-17

 

(p.16) Ook mag men er niet aan twijfelen dat de Franse belangstelling gaat naar de Antwerpse haven en naar Brussel aïs zetel van de Europese Unie. Bovendien is er het strategisch belang van de Belgische ruimte ten opzichte van Groot-Brittannië en van Duitsland, de twee "challengers".

De geleidelijke verwerving van strategische bedrijven in ons land (Electrabel...) is een stap in dezelfde richting.

 

(p.16) De Bourgondische vorsten slaagden er nadien in de XVII Provinciën te verenigen in een personele unie. Maar Vlaanderen blijft in de ogen van Frankrijk nog altijd het énige erfdeel dat niet gerecupereerd kon worden

 

(p.17) Omdat wij een zeevarend volk waren dat zich al heel vroeg had toegelegd op handel en nij-verheid. Dergelijk voik had een grote nood aan rechtszekerheid en was daarom beter gediend door een ver doorgedreven decentra-lisatie van net bestuur. Na de jammerlijke Bel-gische afscheiding van 1830 heeft de Nederlandse staatsman Thorbecke dat zéér juist ingeschat en hij heeft van Nederland een ge-decentraliseerde staat gemaakt door de ad-ministratieve autonomie van gemeenten en provincies te waarborgen. Deze bestuursla-gen beschikken dan ook over meer middelen dan de Belgische en de Franse. Was Willem I, bij de hereniging van 1815, deze weg opgegaan, dan zou er waarschijnlijk geen "1830" geweest zijn. Helaas, waren de denkbeelden van Frankrijk toen nog overheersend.

 

 

18 Brussel, in: Delta, 6, 2006, p.23

 

Op 24 april j.l. waren wij in het Hiltonhotel tegenwoordig op een lunchcauserie van de Heer Mark Eyskens, ingericht door BENEV-Brussel. Er waren meer dan 70 aanwezigen. Zijn thema was "Benelux. Nieuw. En beter", thema dat ons uiteraard nauw aan het hart ligt en dat direct aansluit bij het actiecomité waaraan, zoals onze lezers weten, wij onze logistieke steun verienen, Het zal wel niemand verwonderen als wij zeggen dat wij 100% de visie van de spreker deelden. Hij vertolkte a.h.w. een profetische en verre vooruitblik op de toekomst van het Avondland, dat voor hem véél meer is dan enkel maar een geografisch begrip. M. Eyskens pleitte dan ook voor een stapsgewijze uitbouw van de E.U. als een "Saturnus-project". In de uiterste kring die landen die ooit eens zouden kunnen deel uitmaken van de Unie, in het centrum de landen die op vlak van integratie het verst gevorderd zijn, waaronder, dat spreekt voor zich, de Benelux. De spreker hield ook een pleidooi voor de uitbreiding van de bevoegdheden van het Benelux Secretariaat, alsmede voor het samenbrengen van een actieve denktank.

 

Luxemburg (p.24)

Op 14 mei vierde in Habay-la-Neuve, in het kasteel aan de Pont d'Oie, waar in het park ook Pierre Nothomb begraven ligt, baron Charles-Ferdinand Nothomb zijn 70e verjaardag. Onze Werkgemeenschap behoorde tot de genodigden.

 

 

19 Identiteit der Lage Landen,  in : Delta, 9, 2006, p.24

 

De "Lage Landen" zijn door een rijke cultuur en traditie aan elkander verwant. Gezien in het grotere Europese verband hebben zij wezenlijke trekken van overeenkomst: hun hartstochtelij-ke vrijheidszin en hun eerbied voor de menselijke persoon, hun particularisme en hun onder-nemingsgeest, hun welvarende, dichte bevolking, hun intensieve landbouw en nijverheid, hun traditie van handel en internationaal verkeer, hun burgerlijke stedencultuur, gesymboliseerd in de trotse raadhuizen en de zingende torens. Zelfs in het landschap komt dat gemeenschappe-lijke naar voren inde wijde vlakten en de zilveren waterspiegels onder de hoge wolkenhemel, en is het tenslotte niet tekenend, dat de aloude gewesten Vlaanderen, Brabant, Limburg en Luxemburg allé vier ter weerszijden van de huidige staatsgrenzen liggen.

In de naoorlogse situatie komt daar nog bij, dat zij door ligging en lot op elkander aangewezen zijn: in het deltagebied der drukst bevaren rivieren in het hart van Europa, tegenover de An-gelsaksische landen aan de drukst bevaren wereldzee - vanouds in het krachtveld van de spanningen tussen de wereldmachten: vroeger Engeland, Frankrijk en Duitsiand -thans tussen West en Oost...

 

 

20 Prof. H. D. De Vries Reilingh, in "België, Lotgenoot in de Lage Landen" Uitg. J. A. Boom en zoon - Meppel 1959

 

"Wij hebben een politieke BENELUX hard nodig. Maar de staatszin die nodig is, is niet aanwezig in de huidige politieke klasse, noch bij Vlamingen noch bij Walen".

 

Jan Hendrickx, ere-ambassadeur

 

 

 

 

 

23:18 Gepost door justitia & veritas in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |